terug naar "Artikelen"

01.02.1931, Het Vaderland

De oplossing van het probleem der vierde Ecloga.


De "Christusvoorspelling" verklaard

     Dat er alle mogelijke graden van begrip tegenover dr. Steiner zijn, zelfs bij hen, die zich zijn volgelingen noemen, kan wel niemand verwonderen bij een zóó talrijk zich over de geheele wereld uitstrekkende schare aanhangers. Zelfs kan men begrijpen, dat er dikwijls bewijzen van heelemaal geen begrip, ja van misbruiken van hel hooggedragen geestesgoed van Rudolf Steiner en de mogelijkheden hiervan aan den dag treden. Bij zijn leven heeft de schenker van deze cultuurwaarden dikwijls en veel geleden om wat hij zag, dat men er in vele gevallen van maakte, vooral wanneer hij zien moest, dat het op zoo'n hoog plan geschonkene niet op hetzelfde hooge plan gehouden werd, niet met het ware doel gebruikt werd. In één zijner grondleggende boeken voor ieder, die hem wil leeren kennen, in het werk: "Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?" staat met dikke letters dat, wat elk, die groote geheime waarheden brengt, als eerste voorwaarde zijn volgelingen heeft in te prenten: "Alle kennis, die ge zoekt louter om uw weten te verrijken, louter om schatten in u op te hoopen, voert u af van uw weg; alle kennis echter, die ge zoekt om rijper te worden op den weg der menschenveredeling en der wereldontwikkeling, brengt u een schrede voorwaarts." En dan de regel, dien hij als gouden regel aangeeft onder de noodzakelijk te vervullen voorwaarden: "Wanneer ge éene schrede voorwaarts tracht te doen in het ervaren van geheime waarheden, doe er dan drie tegelijk voorwaarts in de vervolmaking van uw karakter ten goede."

     De wetenschap, dat men op de wereld zoo dikwijls leden der Anthroposophische Vereniging tegen kan komen, die het in het in praktijk brengen van deze gulden grond regelen van den stichter der Vereeniging nog slechts een bedroevend stukje ver hebben gebracht, doet mij van tijd tot tijd hier altijd weer schrijven: een ieder, die een juist oordeel wil hebben' over de anthroposophie, zij wakker en onderscheide streng den stichter en zijn werk van dat, wat hem bij geval uit één of meer willekeurige leden der Anthrop. Vereeniging tegemoet treedt. Het eenige middel om zich over de reëele waarde van de anthroposophie te oriënteeren is, de geschriften van Rudolf Steiner zelf te nemen.

     Zelfs zeer in het klein en van nabij kan men, wat half- en misverstaan betreft, de merkwaardigste ervaringen opdoen. Bij een eurythmie-opvoering hier in Dornach kwam eens een Russisch nummer op het tooneel, d.w.z. het was een Russisch gedicht, dal gereciteerd werd, slechts de titel werd ook in het Duitsch gezegd. Het is lang geleden, ik herinner me slechts, dat in den titel voorkwam "Der Frost". alzoo: de vorst, het vriezen. Terwijl het Russische gedicht gezegd werd, zagen we op het tooneel een fleurigen. met wit en iets helroods omhangen langen eurythmist (de vorst) in eurythmie den strijd vechten met een schare hem omringende bloemen, kleine vlugge meiskeseurythmistjes. Na afloop van het program vertelde me een jonge Engelsche lachend, dat een landgenoote van haar heftig gechoqueerd geweest was. Ze had er aanvankelijk niets van begrepen, dat op het reine Goetheanumtooneel — dat inderdaad daar in het hart van Europa staat als een voorbeeld, hoe uit het zoeken van de wereld van den geest de zuiverste kunst ontstaat — ditmaal een harem vertoond werd! Ten slotte had ze zich trachten te kalmeeren met de gedachte, dat dr. Steiner toch steeds er op had aangedrongen, dat de anthroposophen, dat wat op de wereld voorhanden is, tot in zijn hoogten en laagten leerden kennen en had ze moedig de open oogen op het zondig tafreel gericht. Onnoodig te zeggen, dat het eenige woord, dat de Engelsche van al het Russisch en Duitsch had meenen te verstaan, misverstaan was: "der Frost", de vorst, had het 'm gedaan, ze had er den vorstelijken heerscher uitgehoord en.... het omtooveren van de zuivere, luchtige, vluchtige bloemeurythmistjes tot harem als omgeving van den "de vrije-macht-hebbende" hadden de eigen gedachten der preutsche Engelsche tot stand gebracht, waarna ze — gechoqueerd was.

     Dit onschuldige voorbeeld slechts om te demonstreeren, hoe dikwijls verkeerde rede- neeringen ontstaan en hoe men ze dan weer met uitspraken van dr. Steiner tracht te dekken. Hoe het "hineininterpretieren" en hel "hinausrepresentieren" een zaak der tallooze "anthroposophen" der tallooze naties is. Het geestesgoed zelf van Rudolf Steiner en de kern Dornach staan onbevlekt daar.

De eeuwenlange strijd om de waarheid van Vergilius' vierde Ecloga.

     Tot welke mogelijkheden de jarenlange innige verbinding met het geestesgoed van dr. Steiner in staat stelt, is ter gelegenheid der herdenking na 2000 jaren van Vergilius glashelder gebleken. Het probleem der beroemde en beruchte "vierde Ecloga", dat sinds onheuglijke tijden de puzzle van de klassieke philologie en der theologie vormde, die, niettegenstaande alle graagte der puzzelaars, nooit scheen te zullen worden opgelost, is van anthroposophische zijde tot een oplossing gebracht.

     Ook gedurende 1930, het Vergiliusjaar, is telkens die vierde Ecloga en haar geheim genoemd, besproken. Vele lezers weten dus waarschijnlijk, waar het om gaat. Voor den niet- en halfweler het volgende:

     In dezen vierden zang van het werk Bucolica wordt door Vergilius een schoone toekomstidylle van de aarde gezongen en tegelijk van een geslacht, dat zich ver over de wereld verspreiden zal. Herhaaldelijk wordt een knaap aangesproken, die geboren zal worden.

     In de oudheid en in de middeleeuwen heeft men niet er over geredeneerd, wat Vergilius met dit gedicht bedoeld kan hebben. Hel gold als profetie van den Christus, men was het daarover eens, en — waarover men het eens is, daar redeneert men niet over. Hoe wel het gedicht ruim 40 jaren voor de geboorte van Jezus van Nazareth ontstaan is, hadden noch de heidensche Romeinen, noch de latere Christelijke kerkvaders zelfs — noemen we Augustinus, Lactantius — moeilijkheden met de zaak: Vergilius had den Christus en zijn heil voor de aarde geprofeteerd. Op het concilie van Nicaea in 325 sprak ook keizer Constantijn de Groote in dien zin en droeg zelve de vierde Ecloga in Grieksche vertaling voor. En dit alles, niet tegenstaande een uitlating uit Vergilius'tijd zelven bewaard is, n.l. van den Cicero commentator Asconius Pedianus, welke in geheel andere richting wijst. Pedianus bericht, dat hij eens zich tot den beroemden, bekwamen staatsman, den consul C. Asinius Pollio wendde en hem vroeg, wien Vergilius met dien "knaap" bedoeld had. Waarop Poilio antwoordde: mijn eigen zoon, die toen nog geboren moest worden (de later bekend geworden Gaiius Asinius Gallus).

     In de middeleeuwen alzoo blijkt dat geen steen des aanstoots geweest te zijn: dat een voor Christelijke heiden van het toekomstig Christusgebeuren wist. Hel is de speciale eigenschap van den nieuweren en den nieuwsten tijd, dat men zoo iets niet "rijmen" kan. Een heele literatuur is er de laatste eeuwen ontslaan, die bewijzen wil, dat het zien van een Christusverkondiging in een 44 jaar vóór Jezus' geboorte ontstaan gedicht het werk van naïever tijden is, dat onze tijd met zijn logica hier een ode aan den geboren wordenden zoon van Asinius Pollio heeft te zien of ook wel aan den zoon van Augustus, of 'n ode aan Augustus of Pollio zelf, in wien dan verwacht werd, dat een God zich zou openbaren. Dezen zomer nog las ik, ter afwis- seling onder mijn Aeneïs-studies door, een tot boekdeel gegroeide studie van Wilhelm Weber: "Der Prophet und sein Gott. Eine Studie zur 4. Ekloge Vergils", in 1925 verschenen als bijlage tot de jaarlijksche uitgave: "Der alte Oriënt". Daarin werden hemel en aarde — maar vooral dan de nuchtere, met vernuft niet weg te redeneeren aarde — erbij gesleept om te bewijzen, dat Vergilius beslist louter en alleen den vereerden jongen keizer Augustus, onder wien eindelijk welvaart en rust voor Rome verwacht werden, bedoeld kon hebben.

Hoe de oplossing gevonden werd.

     Nu hebben wij er reeds meer dan eens over geschreven, in verband met het Inwijdingsboek, dat de Aeneis heet, dat Vergilius een Ingewijde in de Mysteriën was. En dat in de Mysteriën der Oudheid vele en groote geheimen over de aarde en het menschengeslacht werden gehoed. Ook wezen we er reeds op, dat dr. Steiner er dikwijls over sprak, dat de ingrijpendste gebeurtenis voor den gang van het menschengeslacht de gebeurtenis op Golgotha is geweest, in welke gebeurtenis de beteekenis van het Christus leven op aarde culmineerde. En dat deze daad, als een toekomstdaad voor de menschheid, in de Mysteriën bekend was, tot den inhoud behoorde van het wijsheidsgoed, dat aan de Ingewijden in de Mysteriën werd overgegeven.

     Voor den anthroposoof was er dus bij voorbaat — zoo min als voor den Christen van vóór de laatste, door de loutere logica der materie overwonnen, eeuwen — iets verwonderlijks in, dat Vergilius in zijn vierde Ecloga van den komenden Christus gezongen zou hebben. Vele uitdrukkingen in vele versregels bevestigden hem dit zelfs onherroepelijk, daar ze eigenschappen bevatten en uitdrukten, die hem door Rudolf Steiner bekend waren als behoo- rende tot den zin en de uitwerking van het Christusleven op aarde.

     Allerlei, wat Vergilius hier bezingt, komt den anthroposoof welbekend voor. Toch bevinden zich in het gedicht ook regels, die toch niet geheel met het wezen van den Messias overeen te brengen zijn. Zoo goed als zij, die onherroepelijk zweren bij één der genoemde aardsche per» soonlijkheden als den door Vergilius verlangend aangeroepene, openlijk of in hun hart toegeven moeten, dat het soms zoo zeer naar het bovenaardsche toegaat, dal het... op onsmakelijke vleierij gaat lijken. De groote tegenstelling van den tegenwoordigen klassieken philoloog, die zich aan de studie van deze Ecloga zet, en den philoloog, die uit de anthroposophische school voortkomt, is echter, dat de eerste begint te lezen met de vooropgezette idee, er achter te komen, wie toch in de plaats van den Christus, hier bedoeld is geweest, terwijl de anthroposoof op geen voorwaarde den Christus als centrum van het gedicht zou prijsgeven.

     In dezen zin nam dan ook dr. Maria Röschl, te Dornach, de vierde Ecloga onder handen, toen zij zich voornam, het eeuwige probleem nu eens tot een oplossing te brengen. En zij deed meer, als anthroposoof. Zij liet de gevoeligheid voor klank en rhythme, die door wat dr. Steiner op het gebied van "Sprachgestaltung" en eurylhmie gaf een heele ontwikkeling door kan loopen, spreken. Persoonlijk vertelde zij mij onlangs, hoeveel zij in dit geval dankt aan het zich praktisch wijden aan eurythmie. In het Decembernummer van het maandblad Die Drei (verschijnend te Stuttgart) verhaalt zij, hoe zij, door het zich wegleven in den klank van de vierde Ecloga, door den onverwachten harden klank van een bepaalde consonanten plaatsing plotseling uit den muzikaalrhythmischen stroom werd geworpen, waardoor … tegelijk het eeuwenlang geheimzinnig gesloten slot voor haar opensprong. Nadat in de beginwoorden van vers 15 van "ille deum" gesproken was. (hiaat in de tekst…) "…..ille deum vitam accipiet *), werd (hiaat in de tekst…) … beginwoorden van vers 18 opeens opgeschrikt. Daar klonk het met een harde wending plotseling: "At tibi...." En zij wist, als met één slag: hier wordt een ander aangesproken, een aardsch kind, de dichter wendt zich met een ruk van den hemel naar de aarde.

     Nadat het oude slot opengesprongen was, kwamen stuk voor stuk de aloude moeilijke plaatsen in een onverwacht licht te staan. Het werd duidelijk: de dichter houdt zich bezig met de nieuwe tijden, die komen gaan en met den Verlosser, door Wien ze komen. En hij zingt een ter geboorte verwacht, aardsch, kind toe— den zoon van Pollio — dat het geluk zal hebben, zijn leven te volbrengen in dien nieuwen, gouden tijd.

     Aan alle kanten is het, als ik het eens heel gewoon mag uitdrukken, het ei van Columbus. Maar het is juist de eigenschap van het ei van Columbus, dat men er niet "zoo maar op komt". Men moet zich werkelijk geconcentreerd zoo spitsen, dat men den eenig mogelijken lichtstraal precies opvangen kan. Totnogtoe was het geheimzinnig gedicht als "de man met de dubbele schaduw", waarvan men rechts een slagschaduw opving en links één. Het licht, de gulden waarheid, lag, als steeds, in het midden. Rechts had gelijk en links had gelijk en daardoor hadden ze beide ongelijk. Omdat rechts niet minder gelijk had dan links, Vergilius niet minder den Christus als den Polliozoon toezong, zou de strijd zich tot in het oneindige hebben kunnen voortsleepen. Als niet Rudolf Steiners werk in staat was gebleken den mensch tot geschikt voor- bereiden bodem te maken, welke het licht aantrekken kan. De grooter innerlijke beweeglijkheid, de innerlijke levendigheid, die het zich verdiepen in de "Geisteswissenschaft" brengt, is een groote factor bij het oplossen van problemen überhaupt.

     De finesses der opgeloste geheimen der vierde Ecloga kan men in de studie van dr. Maria Röschl in hetgenoemde tijdschrift **) nalezen. Het was er hier slechts om te doen de aandacht ook in ons land op het feit te vestigen, dat — terwijl zelfs de correspondent van de N. R. Ct. te Rome klaagde, dat de heele grootsch opgezette Vergilius geschiedenis in het jaar 1930 ten slotte deed denken aan den berg, die een muis gebaard had — deze centrale Vergiliusvraag der vierde Ecloga thans tenminste is opgelost. En tegelijk te bewijzen, dat de kern der anthroposophie vruchtbaar is, indien ze in harden arbeid voor goede doeleinden wordt gebruikt.

Adelyde Content.


*) Deze versregel is. zooals dr. Röschl mij ook toegeeft, anders op te vatten dan zij hem opvatte. Namelijk: hij van de goden zal het leven aannemen.

**) Ligt o.a. ter lezing in de Kon. Bibl.te 'sGravenhage en in de Bibl. der Anthrop. Vereeniging, Oude Schev. Weg 12.


terug naar "Artikelen"