terug naar "Artikelen"
februari 1923 uit het tijdschrift: "Op de Hoogte", zie het "voorwoord". (omdat ik dit bericht helemaal vertaalde, moest ik het eerst afgeschrijven. Daarom is het niet meer in de oorspronkelijke taal van 1923 behouden)

UIT DE LEERSCHOOL VAN HET GOETHEANUM.
HET GOETHEANUM: ZIJN UITERLIJKE VERSCHIJNING EN ZIJN VLAMMENDOOD
We wisten het, dat we door vijandschap omgeven waren. ledere nieuwe, nodige fase in de bewustzijnsontwikkeling der mensheid, elk nieuwe cultuur, werd onder de haatblikken van hen, die nog niet mee konden, geboren. De denkbaarst zware geboorte … onder ogen, die haten ... Ook wij, die in deze opstellenreeks pleiten voor de realiteit van de geest – ook wij staan tenslotte nog te zeer in het oude denken om bij voorbaat een plotseling beeld, dat we voor ons zien oprijzen, anders dan als artistieke gedachte te beschouwen. Wanneer dan het feit in vervulling gegaan is – dan herinneren we ons het in de geest aanschouwde, verwonderen ons over zijn realiteit …
Op de middag van de 31ste December zou om 5 uur in het Goetheanum een euritmie-opvoering plaats hebben. Staande voor de geweldige, nog gesloten gordijnen van het toneel, sprak Dr. Steiner, als gewoonte is voor zo'n voorstelling, een toelichtende rede uit. Van opzij kwam opeens een jonge man op hem toe, een papier uitgestoken in de hand. Het was iets ongewoons, ik had het nooit bijgewoond, dat men Dr. Steiner in zijn rede stoorde. Met een schrik schoot door me heen: Brand – ergens in het gebouw … en, in één adem daarachter, toen ik Dr. Steiner zag doorspreken: er is een element in "Dem Bau", dat er niet hoort … Maar de redenaar sprak voort, ging intussen slechts enige schreden opzij, richtte zijn blikken nu en dan naar de plek, waar hij gestaan had. Dan sprak hij zijn slotwoord – en de machtige gordijnen begonnen te wijken om ons het eerste gedeelte van het programma te doen beleven: de "Prolog im Himmel" uit Faust. Waar Dr. Steiner aanvankelijk gestaan had, bevond zich de plaats, waar het spreekgestoelte, dat bij voordrachten de redenaar dienstdeed, na gebruik onder de vloer neergelaten werd, om het toneel weer vrij te hebben voor de repetities en opvoeringen van de euritmie. Naarmate nu, om een van engelen wemelend toneel te tonen, de gordijnen vaneen weken, werd op die plaats een helrode holte zichtbaar, waaruit, plotseling dan, de duivelse gedaante rees: Mephisto. En, even plotseling, rees en verschoot door mij heen de gedachte: Dr. Steiner stond niet op zekeren bodem – ondergraven door de duivel …
Zover als de onderzoekingen nu uitwijzen, is het mogelijk, dat in die ogenblikken de lont in het gebouw is gelegd. Toen ik op die Sylvesternacht voor het in vlammen ten hemel rijzend Goetheanum stond, was het beeld van die middag: Dr. Steiner wijkend van de plaats, waaruit dan de duivel zijn gruwelijk hoofd opstak, mij terstond weer nabij.

De beschrijving van het Goetheanum, in de Kerstaflevering zo glorieus aangekondigd, wordt er dus een in de verleden tijd. Van minder belang is ze daardoor geenszins geworden. Integendeel. Als poging en proeve van uitdrukking van een nieuwe frisse wereldbeschouwing heeft het Goetheanum gestaan op de wereld, de korte tijd, die het gegund was; heeft het – we weten het uit ontelbare getuigenissen – de geesten van hen, die er mede in aanraking kwamen, diep beroerd. Dat zal tot verdere pogingen aanleiding geven. Een waarachtig streven geeft de stootkracht tot mede-streven, waar het passeert. Deze eerste machtige proef, door de ondaad van onverstand van de wereld gevaagd, zal tot mythe worden. Maar zoals de in onbewuste diepten geweten ondergrond van elke mythe steeds een stoet van kunstenaren door de tijden heen tot inspirerende Muze gestrekt heeft, die ze nieuwe, grandioze scheppingen in de wereld deed zetten, zo zal dat, wat als levende realiteit aan deze, zo snel naar de mythologie verwezen schepping te gronde lag, onverwoestbaar de voor inspiratie vatbare geesten bereiken en begenadigen.
Laten we dus, hardnekkig en ongestoord gelijk Dr. Steiner hier, naast de puinhopen van zijn Goetheanum, zijn "school" voortzet, het Goetheanum trachten te beschrijven zoals het was en aldus zoveel mogelijk uit de tijd van de oorsprong der mythe redden …
De 26ste September 1913 – precies zeven jaar voor het tot voorlopig bruikbare staat gebrachte gebouw met een hoge-school-cursus werd opengesteld – werd het eerste fundament gelegd voor de betonnen onderbouw, waarop later de karakteristieke "Doppelkuppelbau" zou verrijzen.

Nu moet ik, om vooral geen misverstand te wekken, nog eens extra vermelden, dat, wanneer ik het Goetheanum als proef van een nieuwe architectuur betitel, daarmee niet bedoeld is, dat men nu voortaan steeds gebouwen met dubbele koepels zal moeten oprichten. We vertelden in bedoeld Kerstnummer, hoe de bouwmeester is "ondergedoken" in zijn materiaal en er toen "dit bouwbeeld" uitkreeg. Maar we zeiden ook, dat hij erin ondergedoken was "zijn doel voor ogen". Dat betekent dus, dat, volgens deze wijze van bouwen, iemand die, zeggen we een landelijk rusthuis, te stichten heeft, uit zijn materiaal heel iets anders tevoorschijn brengen zal. Om het doel, om dat wat uit te drukken is, gaat het. Een huis voor zijn "wetenschap van de geeste" wilde Dr. Steiner bouwen, een ware behuizing voor de geweldige groeikracht, waaruit zijn anthroposophische beweging ontstond. Dat mocht niet, zoals men zich denken kan, een behuizing zijn, die omknelde en afsloot. Door de dubbele koepelgebouwen – het grootste: de toeschouwerszaal, het kleinste: het toneel – welke in elkander grepen, op een gemeenschappelijke koorde stonden, was bereikt, dat de toehoorder zich verbonden voelde met dat, wat boven hemzelf uitging en wat hem vanaf het toneel werd toegedragen, en door de in een cirkel rondom staande zuilen en de daarlangs golvende vormen, door de wijze waarop de binnenwand met houtplastiek was bekleed, was bereikt, dat hij, die zich in deze ruimte bevond, zich met zijn wetenschap van de kosmos, op welke verwerving hij zich hier toelegde, niet in een kamer afgesloten voelde, maar midden in de kosmos verplaatst, aan alle zijden er met z'n voelhorens in uitgestrekt. In de gedaante, waarin het Goetheanum daar stond, was het geheel een tehuis en een uitdrukking voor Steiner's moderne kosmische geesteswetenschap. De karakteristieke vergelijking, waarin Dr. Steiner zelve het verband van zijn bouwwerk en dat wat er in verkondigd werd, uitdrukte, was steeds die van kern en bast van de noot: zoals om een bepaalde vorm van een kern slechts een bepaalde vorm van bast kan groeien, zo kon om het bepaalde ideeëncomplex der anthroposophie tot in de details slechts deze bouwvorm rijzen. En de strenge wetmatigheid, waarmee we zeiden dat van vorm tot vorm verder geschapen was, beduidde ook, dat elk detail z'n grond had; dat, wanneer de grondvorm bv. Een weinig groter of kleiner geweest was, dit noodzakelijk andere voorwaarden voor elke geringste vorm betekend zou hebben.

Uit blank beton was dus de reusachtige onderbouw opgetrokken. In verband met onze opmerking, dat "van West naar Oost scheppend de geest van vorm tot vorm schrijdt", kan men inzien, dat de hoofdingang in het Westen gelegen was. Merkwaardig is – hier kunnen we even in de tegenwoordige tijd spreken, want wat beton was is, zij het dan dikwijls beschadigd, behouden – hoe de brede buitentrappen der verschillende ingangen aan het gebouw vergroeid zitten, organisch vergroeid. En merkwaardig is ook de telkens weer optredende vorm van deuren en vensters: drieledig steeds, een ronde boog als middenstuk, en aan de beide zijden een boog, die toegewijd opwaarts daarheen welft. Men ziet deze vorm reeds in de eiken deuren, die glanzend te midden van het dofblank beton daar in het Westen staan, men ziet hem in de grote vensters in de onderbouw alom. Men ziet hem ook, zodra men binnentreedt, nogmaals als betonnen poort, en in verder perspectief nog eens als poort naar de vestiaires. Men zag hem, wanneer men de, ter weerzijden van de westelijke ingang met machtige zwaai omhoog welvende, betonnen trappen besteeg en, het portaal doorschrijdend, waar ze beide op uitkwamen, door de drieledige ingang onder het van houtplastiek omgord orgel trad en schouwde naar de poort, die naar de grote koepelzaal toegang gaf. En men trof hem wederom in de grote gekleurde vensters, die ter weerszijde van de ingang de koepelzaal omgaven.
Wanneer men daar beneden een der trappen nadert, valt terstond op het eigenaardig orgaan, dat zich daar aan beide zijden van zo'n trap vertoont. Al dadelijk is hiermee een duidelijke toelichting te geven van wat dat nu eigenlijk is: onderduiken in je materiaal, doel voor ogen. Hier, op dit punt, zou namelijk steeds de aanvangsschrede gedaan worden: van het opstijgen naar de ruimte, waar van mens en wereld, van mikro- en makrokosmos tot de sterveling gesproken zou worden. Hier had men dus nodig tot aandacht te komen, zijn krachten in evenwicht te brengen en te organiseren. Des bouwmeesters handen kneedden, kneedden – terwijl zijn geestesoog staarde op wat uitgedrukt moest worden. En onder zijn vingers vormde zich: het evenwichtsorgaan, zoals zich dat achter het menselijk oor bevindt. Zo goed als ook bij de machtige steunpilaren, die de trappen te dragen kregen, de wijsheid, die in het menselijk lichaam gelegd is, als vanzelf binnenvlood en de "natuurwetmatig scheppende kunstenaar" hier als het natuurlijk oerbeeld van het organisch dragen zag ontstaan.
Tot bovenaan die trappen was alles beton, dan was verder gewrocht in hout. Geweldige houtmassa's de wanden, massieve houtmassa's de zuilen. Wil men aan een getal zich oriënteren: één zuil, een der beide langste, was uit 35'000 kilo hout opgebouwd, de hoogte ervan bedroeg 14 meter.
Na de rampzalige brand hebben we van Hollanders dikwijls vernomen: Maar hoe komt men er dan aan, in hout te bouwen!? Allereerst zij dan gememoreerd dat het in Zwitserland, het land der elektrische drijfkracht, een gewoonte van alledag is: in hout te bouwen. En dat van de kant der leiding van het Goetheanum bij het bouwen alle voorzorgsmaatregelen genomen waren, met alle mogelijkheden was rekening gehouden en dat alle inrichtingen steeds onder de nauwkeurigste controle stonden. En dan bedenke men, hoe het knedend scheppen van vormen, de vloeiende, beweeglijke gedaante, voor deze omraming van een bewegelijke denkwijze als de anthroposophie is, nodig, eigenlijk alleen in hout mogelijk was. Toegegeven zij slechts, dat de bouwmeester en zijn vrienden het peil van hun tegenstanders niet op het juiste punt hadden gesteld.
Tot op het beton toe is heel de machtige koepelbouw met z'n schatten aan kunstwaarde in plastiek en in schildering op die treurige Sylvesternacht neer gebrand. Waar men vroeger, stil van verwachting, tussen de evenwichtsorganen zich door de trap op liet nemen om wat daarboven aan de geest tot u sprak tegemoet te gaan – daar staat men thans stil en staart de trappen omhoog in een holle gaping, een stuk grauwe lucht. En bestijgt men de trappen … dan staat men op een zwartbesmookte vloer onder den bloten hemel, staart met desolaat hart neer op het met molm, roest en verbogen stangen bedekte amfitheater, waar eens de wonderbare koepel zich met koenen boog over welfde – op de diepen afgrond, die de kleine koepel naakt heeft gelaten, waaromheen, in de betonnen omraming, de deuropeningen van de kleedkamers thans gapend in het rond staan. De verkoolde fundamenten der zuilen van de grote koepel liggen knoestig geplant tussen het roet als het tronkig complex wortelstompen van een eeuwenoude gevelde woudreus …
Terug naar de glorie, die was!
Op het portaal, waar dus de beide trappen, die beneden aanvingen naar tegengestelde richtingen opwaarts te slingeren, op uitkwamen, bevond zich, tegenover de ingang naar de koepelzaal, een drieledige toegang naar het terras, dat zich breed, in gedurfde zwaai om bijna heel het gebouw heensloeg. Boven de toegang ervan trof voor het eerst een drieledig gekleurd venster, geheel rood, waarin, volgens het procedé, dat we in de zaal nog herhaaldelijk zouden aantreffen, met een korund voorstellingen van een diepe, zinrijke betekenis uitgeslepen waren. We zullen ons er niet aan wagen, een verklaring te ondernemen van wat de figuren en beelden van die vensterglazen beduidden: ten eerste omdat het onkunstzinnig is, bij kunst met verklaringen aan te komen, het een eigenschap der kunst is, slechts door zichzelf te kunnen werken en vervolgens omdat we volstrekt niet zeker zijn dat we deze voorstellingen reeds geheel verstaan hadden, we integendeel steeds, wanneer we na een afwezigheid weer voor die vensters terugkeerden – in welke tussentijd we, als elk menselijk wezen, al levend tot dieper inzicht waren gekomen – er nieuwe ontdekkingen deden, en we alzo overtuigd zijn, dat we op deze vensters nog lang niet uitgestudeerd waren. We kunnen slechts in het algemeen enkele aanduidingen geven.
Het middenstuk van elk venster gaf steeds een samenvatting van de beide zijstukken. Het ronde venster van het Westportaal gaf ons de indruk of we het eenvoudig "de mens" zouden kunnen betitelen, de mens in zijn leven, zijn streven en zijn eindelijke triomf – in tegenstelling tot de glazen in de zaal, waarvan elk de mens in een bepaald verband met het kosmisch heelal trachtte uit te drukken.
Van binnenuit, van de kern uit, was het gebouw geschapen; wat men, op het terras getreden, dus aan de buitenkant alom gemodelleerd zag, was slechts te verstaan van de binnenkant uit.
De geesteswetenschappelijke kern, die binnen in het gebouw tot een bepaalde vormbekleding van de wanden gekomen was, dreef buiten tot de schepping van het geweldig motief boven de Westpoort, dat zich dan naar weerszijden, al vervlakkend, herhaalde; tot de kernachtige omlijsting van de vensters; tot de talrijke gevoelige houtgolvingen in het kort.


We trachten in de loop van deze artikelen al in foto's een indruk van details van de buitengedaante te geven. Aan de foto's van het geheel heeft men zich misschien kunnen voorstellen, hoe karakteristiek de indruk was van de drie machtige portalen - het machtigste, als hoofdingang, dat op het Westen, en dan de beide op het Noorden en op het Zuiden, loodrecht van uit de plaats waar de beide koepels ineengrepen – hoe karakteristiek de indruk was van die drie massief op het fors slingerend terras uitstaande, portalen. En laten we dan nog even memoreren: dat, wat wel niet een verdienste van het gebouw was, maar wat omgekeerd toch ongetwijfeld deel heeft gehad aan dat wat het gebouw werd: het onbeschrijfelijk stoer en vriendelijk Jura-beeld rondom, dat we zo menigmaal op alle punten van dit eindeloos terras, in alle fasen van dag- en hemelgesteldheid, beschouwd, beleefd en genoten hebben.
Etmaalstijdstip en hemels gesteldheid waren ook componenten voor de taal, die de welvende daken hun portalen en de daken der koepels tot u spraken. Trouw toch leefde het Noordse lei de omstandigheden mede.


De plaatsruimte laat niet toe, alle details te releveren, laten we dus, wanneer we ons in gedachten terug in het Westportaal verplaatst hebben, nog slechts even de salamander-achtige, houten vormbekleding herdenken, die tussen de uiteinden der trappen en de koepelwand in sfinx-houding over de verwarmingsbuizen lagen, en dan de zaal binnentreden. Betrekkelijk laag ligt, wanneer je nog een portaal doorschreden hebt, als je de machtige hoge koepelzaal daar voor u inkijkt, het houten gebeeldhouwd gewelf boven u, dat het orgel draagt. Men bedenke – de moderne mens heeft altijd graag houvast aan een cijfer – dat de hoogte van het gebouw 34 meter bedroeg. In dit verband zij dan meteen verteld, dat het cijfer der lengte in meters 80, dat de breedte 60 was. Ik geloof echter niet, dat velen, die daar door de Westdeuren onder het orgel traden en de amfitheatersgewijze neerdalende koepelzaal en verder de toneelkoepel inkeken, als eerste verlangen zijn gewaargeworden, hun ondervindingen in getallen op te lossen. Het constante hoofd-ontbloten, dat we op die plek bij bezoekers waarnamen, weerspreekt deze gedachte. Het staaft echter datgene, wat we in ons Kerst-artikel schreven: de Geest is hier overgegaan in de stof en in de vorm. Met het gevolg, dat door elke vorm, door elk geringst detail, de Geest onmiddellijk tot u spreekt.


Van dat portaal onder het orgel gingen naar beide zijden galerijen tussen zuilen halfcirkel en de uiterste halfcirkel-wand. In de wand ervan bevonden zich, aan beide zijden, de vier geweldige gekleurde drieledige vensters: van het Westen af het eerste groen, het tweede blauw, het derde mat-rood, het vierde violet. Tegen de zuilen aan, over de ruim 900 aaneen gerijde klapzetels van het amfitheater, sloegen die glazen hun kleurige glanzen, tot ze er samen braken tot een lichtvloed van niet te beschrijven kleuren-luxes. Een heiligend lichtbad leek die zaal te beloven …
Zolang het licht daarbuiten, het grote kosmische licht tot de aarde sprak. Naarmate het licht daarbuiten te zwijgen aanving, verdofte ook de pure kleurenwemeling daarbinnen tot zwijgzaamheid. En stierven de sprekende voorstellingen van de glazen. Maar dan bleef er nog altijd, in de vanuit het midden van de hoge koepel neerzijgende kunstmatige verlichting, de prachtige beitelingen langs de sokkels, kapitelen en architraven van de zuilen, in één voortschrijdend, evoluerend verband, als met één machtige armzwaai van Natura Mater daarlangs gehouwen. En dan bleef de heerlijke kleurenvloed van de, een mens in zijn innerlijke zielenerf grijpende, schilderingen van de grote en de kleine koepel. Dan bleef nog dat, wat nooit uit het gebouw geweken is tot het eind aan toe – wat niet met de zintuigelijke oren, slechts met geestelijke voelhorens waar te nemen was: dat wat de als het ware in deze kunstvormen gevatte geest tot u te zeggen had.


Zeven zuilen bevonden zich aan elke zijde van de grote koepelzaal, groter wordend natuurlijk naarmate het amfitheater daalde. Zij, die Dr. Steiner wel gevraagd hebben, waarom hij juist zeven zuilen heeft aangewend, hebben het verzoek te horen gekregen, hier toch geen symbool of wat voor mystiek dan ook in te zien. Nergens in het gebouw was een symbool, alles was een uit innerlijke noodzakelijkheid geboren kunstvorm, die door z'n eigen wezen, zoals hij was, wenste te spreken, nooit iets anders symboliseerde. Het zevental der zuilen was zo min symbool voor een of ander als het zevental der regenboogkleuren iets symboliseert of de zevenledigheid van de toonladder. Zo goed als regenboog en toonladder nu eenmaal uit zeven componenten bestaan en niet uit bv. zes of acht, zo bleek ditmaal nu ook de "natuurwetmatig scheppende kunstenaarshand" half cirkels van zeven zuilen uit zijn materiaal te krijgen. In de kleine koepel rijden er zich aan weerszijden zes, evenzovele als er tussenruimten tussen de zuilen van de grote koepel waren. Een geweldig beeld was bestemd, in de kleine koepel daar, waar de zuilen-halfcirkels samenkwamen, recht op het Oosten dus, af te sluiten. Deze beeldgroep, ook in houtplastiek, welke de Christus vertoont als "Menschheitsrepräsentant", met de ene omhoog geheven arm de, de mensheid verdwazende, Lucifer werend en verwinnend, die van de aarde wegtrekken en vervreemden wil, onder zich Ahriman beheersend, die te onverbrekelijk de mens aan de aarde tracht te boeien – deze, negen meter hoge groep, welke door Dr. Steiner, in tegenstelling met onderdelen van het Goetheanum, die hij ter uitwerking van zijn ontwerpen aan bevriende kunstenaren overliet, geheel zelf ten einde wordt gevoerd, was nog niet geheel gereed, had alzo haar plaats gelukkigerwijze nog niet in het verongelukte Goetheanum gevonden. Op die laatste rampzalige 31ste December, toen we vanuit de zaal naar de fijne, in wisselende kleuren eurythmisch bewegende gestalten in de kleine koepel zagen, hadden we nog even gedacht, hoe dat er wel uit moest zien, wanneer die machtige groep de achtergrond zou vormen …




We moeten kiezen of delen: veel afbeeldingen of veel tekst. Bescheiden kennen we voor vastlegging van het beeld van het weggevaagd Goetheanum aan de gevoelige plaat meer macht toe dan aan onze pen. Dus kort nog maar enkele kenmerkende woorden over de beschildering der beiden koepels. Mogelijk hebben we de gelegenheid, in dien de lezers dat wensen, hier nog eens nader op terug te komen.
Zoals men voor alles in het gebouw nieuwe, oorspronkelijke procedés had aangewend, zo had men een zuiver plantaardige verf weten te bereiden, waaruit heerlijke lichte, weldadige, als doorzichtige kleuren ontstonden. Men weet, hoe Goethe vertelt, dat hij met vele schilders over hun werk gesproken heeft en hoe die steeds wisten te verklaren, waarom een lijn liep en boog, waar en zoals ze liep en boog, hoe ze nooit echter de verklaring hadden voor een hier of daar aangewende bepaalde kleur: die was aan het toeval overgelaten. En toch, zegt Goethe, heeft elke kleur haar speciale aard en kracht. Want elke kleur is het product van een bepaalde lichtwerking. Van de kleur uit, niet van de lijn uit, was dan ook in het Goetheanum geschilderd. Lijnen bestaan niet, waarschuwt Dr. Steiner, een lijn is het product van het samenkomen van twee kleur- of andere vlakken.
Vanuit dit grondbeginsel was dan de grote koepel beschilderd met voorstellingen uit de verschillende tijdperken van de voorchristelijke tijd, elk tijdvak was uitgedrukt door dat wat er karakteristiek voor was: het oud-Indische tijdvak door een kop, waar men de stralen in zag nederdalen van zeven zich daarboven bevindende planeten. Het oud-Perzische tijdvak aanschouwde men in wezens van het Licht en wezens van de Duisternis: de aloude Perzische dualiteit. Egypte zag men in pyramide, sfinx en mummie. Griekenland in Oedipus en de sfinx. Om wat we over kleuren even memoreerden te verduidelijken: de sfinx, die aangrijpt, in rood, degene die neergestort wordt, in blauw. Op een punt van de grote koepel bevond zich als 't ware als tegenbeeld van de in de kleine koepel geschilderde Christus het oud-Hebreeuwse tijdperk, voornamelijk uitgedrukt in de levensboom, het eerste mensenpaar en God.
De kleine koepel gaf in beelden heel de rijkdom van gedachten, die Dr. Steiner steeds uitstort over wat hij het Christusgebeuren weet en de ingrijpende betekenis hiervan voor alle tijden, die daarna vergingen en nog te vergaan hebben. Verleden, de eerste koepel – verleden, heden en de toekomst de tweede koepel.
We trachten enkele foto's van deze koepelschilderingen te geven, zijn intussen niet zeker of we daar goed aan doen: wat is het koud, levenloos op een plaat lokken van een bloedwarme kleurgeboorte …!
Voor mijn gevoel is er een arm klein beetje door deze platen behouden van wat de koepels werkten toen ze nog leefden en bloeiden. – En zo zou zeker het onkunstzinnige streven, de schatten aan voorstellingen der geëtste vensters te fotograferen, het moeten afleggen. Zij, die ze hebben aanschouwd, kunnen ze slechts met hun herinnering trachten vast te houden.
We kunnen het ons nog niet goed voorstellen, maar vergaan uit zijn stoffelijke gedaante is heel dit Muzenhuis. Als een schokkend, tragisch gebeuren hebben allen het gevoeld, die de vernieling hebben bijgewoond. En alom verder in Zwitserland is men diep getroffen. Alom op de wereld zou ik kunnen zeggen. Dr. Steiner las enige dagen na de ramp alleen maar de ondertekeningen voor de telegrammen, die deelneming hadden trachten te betuigen: hij had er bijna drie kwartier voor nodig. Van alle denkbare landen ter wereld waren er binnengestroomd, tot uit Nieuw-Zeeland toe. Ook Holland, we constateerden het met genoegen, had zich verre van onbetuigd gelaten.
Onze Hollandse kranten lopen het oordeel van particulieren vooral niet vooruit. Als een schilderij van een oud meester verdwijnt, in vlammen of op andere wijze, geven ze daar graag een kolom voor ten beste aan beschouwingen, men kan z'n copie met inlichtingen gaarne kwijt. Hier ging een schat aan kunstwaarde verloren, waarvoor, behalve Dr. Steiner, reeksen kunstenaren tien jaren van hun leven geofferd hadden. Een uiterste arbeidsprestatie, een uiterst kunstvermogen lag eraan ten grondslag. En een uiterst streven … Weliswaar nieuw, nooit gezien nog. En mogelijk zou men er z'n ganse kunstappreciatie, zelfs z'n wereldbeschouwing van tot nu toe om moeten herzien. Daar is niet weinig veerkracht voor nodig – als men eenmaal volwassen en daarboven geraakt is.
Zo spoedig het mogelijk was na de brand, uit de grootste verwarring vandaan, zond ik een beschrijving aan een onzer grootste bladen. Ze vond er geen plaats. De redactie van "Op de Hoogte" wil ze hopelijk haar lezers over de ondergang van het Schone, waaraan zo'n kortleven beschoren was en waarvoor we een zwakke poging tot nog wat redden voor het nageslacht deden.
De Sylvesterbrand van het Goetheanum
"Jedes Jahr schaut neue Gräber, aber auch neue Wiegen». Aldus sprak Dr. Steiner dien Oudejaarsavond en met een opwekking, alle kracht aan te wenden voor de geboorte van een "Weltenneujahr" liet hij ons gaan…
Het was nog niet helemaal tien uur, toen we het Goetheanum verlieten, om elf uur stonden we allen er weer omheen. Maar we zagen het niet, we zagen slechts de geweldige zwarte wolk, waarin het zich verhuld moest hebben.
Van vijf tot tien uur waren we in het gebouw geweest, van vijft tot tien uur moet het voortwoekerende lont mede geherbergd hebben. Men kan er lang over debatteren, of men zoiets voelt. Ik kan alleen voor mezelf constateren, dat ik het die heensnellende laatste uren van het jaar met mezelf niet vinden kon en de gewijde Sylvesterstemming zich verre van me hield. Ook nog toen ik in het sprookjesachtig duister, met hier en daar in de verte een venster verlicht, den berg afdaalde, huiswaarts … Toen de Sylvesterklokken luidden door de lucht, stond ik geschokt van smartelijke plechtigheid het aan te zien, hoe midden uit de machtige koepel, die de grote zaal van het Goetheanum dekte, de vlam triomfeerend omhoog schoot.
Tien minuten was ik in mijn kamer geweest, toen heftig de telefoon geraasd had: "Feuer im Goetheanum". Een half uur later stond al wat pas het gebouw verlaten had, weer bogen op den berg. Maar ook de dorpelingen uit den omtrek waren op het brandsignaal, dat angstig door den Oudejaarsnacht kermde, toegesneld. Op mijn donkere weg herwaarts had ik het reeds van mensen zien wemelen als op den schoonsten, klaarsten Zondagmiddag, wanneer al wat stadsmensch is z'n drang naar de natuur bevredigt.
Boven onderscheidden we echter nog wenig. Één zwarte rookmassa stond, waar "onze Bau" gestaan had, hoog de lucht in. En m'n eerste gedachten waren: Onze prachtige vensters – dat verdragen ze nooit – die zijn er geweest. Een smartelijk gevoel van onherstelbaar verlies was dat … weinig vermoedden we, dat die schoone vensters slechts een onderdeel waren van wat we verliezen gingen. We vertrouwden: onze mannen zijn zoo flink, hebben reeds zooveel gepraesteerd, we waren er voor kort nog in, ze hebben het gauw ontdekt, we weten dat ze al hun krachten voor het Goetheanum feil hebben … Dat van hen de strijd gevorderd werd tegen rook en smook van wat heimelijk reeds verteerd was, tegen giftige gassen mogelijk, wisten we niet …
Toen de vuurmassa reeds om middernacht uit den hoogen koepel brak, en we onzen "Bau" verloren wisten, begrepen we, dat er meer dan een ongelukkige, plotselinge branduitbraak in het spel was. Luguber luidden de Nieuwjaarsklokken tegen het gesis der vlammen, het gerinkel van glasscherven en leischerven op. Het was een pijn, die haast ondragelijk leek: de luchtige, als doorzichtige kleuren van de koepelbeschildering, die de grootsche afbeeldingen van de ontwikkelingstijdperken der aarde, doorgebrand, zwartberookt! Onze geweldige vensters, drieledig elk, elk in een andere kleur groen, blauw, rose, violet, allen geheel bewerkt, voorstellingen erin uitgeslepen over den samenhang van den mensch en het heelal – vernietigd. Onze kunstige zuilen, rondom dragend het dak van grooten en van kleinen koepel, met aan sokkels, kapiteelen en architraven, van West- naar Oost, hun voortschrijdend motief, van vlammen omvreten! Maar we moesten het dragen, we moesten het ons zelfs goed duidelijk maken: met een donderend geraas stortte de kleinste der twee koepels in elkaar. En betrekkelijk snel er na ook de groote koepel. Op den reusachtigen betonnen onderbouw stegen naakt in machtigen kring de zuilen, gloeiende vuurzuilen nu, omhoog.
We herinneren ons, hoe we den Noordvleugel nog haast intact zagen, één hoek van het dak slechts door vuur aangevreten. En hoe ons de prachtige lijn van die bedekking, die door zooveel andere machtige welvingen, aan Wet- en Zuidzijde, nooit extra op den voorgrond had kunnen treden, opeens trof: als een laatst willen overtuigen op het moment van haar ondergang, dat ook zij de aandacht was waard geweest. En dat we ook , voor de groote Westelijke poort gansch in vuur was opgegloeid, met een poging tot vast houden en met een besef, hoe we dat hadden liefgehad, het reusachtige motief boven de ingang tijden lang hebben aangestaard. Tot daar opzij, uit de vensteromramingen boven het linkerzijstuk van de drieledige poort, opeens een donkere duivelsgedaante zich vormde, klauwen grijpend gekromd. En de klauwen kromden zich krampachtiger, de rug kromde, kromde omhoog … En uit zijn muil, die al breeder zich opende, spuwde hij de vlam, geeuwde hij al grijnzend steeds grootscher opgezette vlam …
Het is een operatie op mezelf, dit beschrijven van wat ik dien noodlotsnacht heb aanschouwd. De lezer schenke mij de rest van hoe ons gebouw tot den betonnen onderbouw toe door de blinde vlammen vervreten werd. Toen we om vier uur het terrein verlieten, stonden er nog de Westpoort en een aantal vuurzuilen te lichten in de nacht.
Uit Bazel, uit heel den omtrek stroomde het ons op onzen huisweg reeds toe in auto's, op andere vehikels, te voet. In Bazel, hoorden we, had men van de daken haast in finesses de ondergang kunnen volgen. En tot heden toe worden steeds maar, steeds maar kijkers aangevoerd. Want in Zwitserland was alom dit Goetheanum beroemd. Men wist, hoe hier tien jaar lang met de uiterste inspanning en opoffering is gearbeid. Voortdurend werd het gebouw bezichtigd, lang reeds hat men er toe over moeten gaan, gidsen aan te stellen. Het aantal bezoekers overtrof elke maand de 1000, op Zondagen alleen kon het zelfs de 600 te boven gaan. En allen, wel of niet de denkbeelden van Dr. Steiner toegedaan, bewonderden dit bouwwerk, dat een nooit gezien kunstwerk was geworden.
Nie alleen de volgelingen van Dr. Steiner gaan dan ook onder deze ramp gebukt. Ook de bevolking van Dornach en Arlesheim is verontwaardigd en ontroerd. Want Dr. Steiner en zijn aanhangers zijn ongetwijfeld bij de bevolking geliefd. Men weet, dat men op hen aan kan. Dat er in dit Katholieke deel van Zwitserland ook een deel bevolking is, dat de anthroposofen met minder welwillende blikken aankijkt, is zeker niet de schuld der anthroposofen. En dat hun met brandstichting te lijf wordt gegaan – elke Dornacher of Arlesheimer zal getuigen, dat ze zich daarnaar zeker tegenover de bewoners niet hebben gedragen. En stel eens, het ware wel zoo, dat dit nieuw element in hun dal de vroegere rust der dorpelingen had gestoord – dan nog moet heel de wereld het als een gruwzaam feit, dat eer in den tijd der roofridderburchten thuisbehoort, waarvan de ruïnen Dornach omgeven, gevoelen, dat in onze verlichte eeuw men in de "freie Schweiz" met een onder zwoegen en zweeten gevoren kunstwerk niet aan den open weg kan staan. Wij, die van den aanvang auf deze arbeit hebben gevolgd, die weten hoe oorspronkelijk de honderden kunstenaren, die om Dr. Steiner samenstroomden voor de uitvoering van zijn artistieke bouwplannen, in opoffering en lijden, in kou en ontbering, met de sobere bevolking hebben gedeeld haar sobere leefwijze, haar dikwijls van het noodigste gespeende vertrekken, die weten, hoe ook het kleinste détail van dit gebouw van geweldige afmetingen door Dr. Steiner was doorgedacht, hoe elke kunstenaar soms na jarenlange voorstudies, onder oppertoezicht van Dr. Steiner ten slotte naar zijn uiterst vermogen het hem opgedragen werk in het gebouw uitvoerde, hoe zelfs toen nog bv. de beschildering van den koepel boven het tooneel, waarin het verleden, het tegenwoordige, en de toekomst de menschheidsontwikkeling moest worden uitgedrukt, niet aan de bedoeling van Dr. Steiner beantwoordde en hij toen, op verzoek van de kunstenaars, zelf met machtigen streek heel het wijde vlak overschilderde in een gloed van kleuren en beelden – wij voelen ons in rouw gedompeld door het feit, dat het op de wereld nog mogelijk blijkt dat zoo'n schat aan kunstzin en liefdevolle arbeid niet het zonzag der eerbied vindt. Diep geschokt kunnen we slechts constateeren tot welk deel van de menschheid de tegenstanders van Dr. Steiner behooren, kunnen we erkennen dat hij weet wat hij doet, wanneer we hem in zoo'n wereld niet aan rust zien denken …

Mijn woorden zijn verontwaardigder dan die van Dr. Steiner. Hij bewaart de hooge houding, die we van hem gewend zijn. Vanaf 23 December waren de Weihnachtskurse aan de gang, waartoe o.a. hoorde een voordrachtenreeks van Dr. Steiner zelve: Der Enstehungsmoment der Naturwissenschaft in der Weltgeschichte und ihre seitherige Entwickelung, en opvoeringen van de oude Kerstspelen, geheel in de vorm zooals ze tot het laatste kwart van de vorige eeuw toe in West-Hongarije door de bevolking om de Kersttijd werden ten tooneele gebracht. Verder voordrachten, op wetenschappelijk en kunstgebied, van verschillende wetenschapsmensen en kunstenaren, die alle trachtten aan te toonen het licht, dat de leer van Dr. Steiner voor hun speciaal gebied hun heeft gebracht. Gelegenheid tot vragen stellen en onderling bespreken, voor de vele opgekomen "buitenstaanders", waaronder, zooals steeds, talrijke studenten, en eurhythmie-opvoeringen vulden de rest van het program. In den gruwelijken Oudejaarsnacht hebben, zooals dat te verwachten was, massa's aanhangers van Dr. Steiner, menschen, die hadden meegebouwd, gewoond hadden om dit bouwwerk, het hadden liefgehad, er hun leven voor gewaagd. Vruchteloos, er was niets meer te redden. Heel de nacht omringden toen de menschen den "Bau", liepen in de uiterste smarten er om heen: het was hun eigen bezit. Een oude landmand uit den omtrek, die het ontroerd stond aan te kijken, schudde langzaam het hoofd en sprak het zeer juist uit, wat hier plaats greep: "Ik weet, wat het is: ik heb m'n boerderij in de vlammen op zien gaan".
Onder degenen, die het meest met de Bau verbonden waren, hoorden zeker ook zij, die jaarlijks de reeds als de "Dornacher Weihnachtsspiele" bekend geworden Kerstspelen opvoeren. Getrouw aan de leus, die hij zijn volgelingen voorhoudt: "Scharfes Denken, gelassenes Fühlen" had Dr. Steiner af laten kondigen, dat alle werkzaamheden volgends het program zouden worden voortgezet. Bleek en als geslagen heef hij den ganschen nacht de vernieling van zijn veel jarige schepping bijgewoond, des morgens vroeg reeds ontvangt hij, op hun aanvraag, de toegesnelde journalisten, voor een korte mededeleling der feiten. "Das durchfurchte Gesicht zeigt Energie und Selbstbeherrschung", schrijft de correspondent van de Baseler National-Zeitung.
Om 5 uur moet volgens het program de opvoering van het oude Driekoningsenspel plaats hebben. In de provisotische zaal, tijdens de jaren van het bouwen voor alle vergaderingen gebruikt, is het propvol. De zeker 500 menschen, die voor den Weihnachtskurs om het Goetheanum verzameld waren, vinden hier ternauwernood een plaats. Dr. Steiner staat op: We zijn van hem gewend, dat hij een voorrede houdt. Men is gespannen … wat zal hij zeggen, hoe zal hij spreken over de ramp…? Geen woord van wraak, zelfs niet van verontwaardiging kom over zijn lippen, hij releveert het feit, spreekt over de smart om het verlies van ons Goetheanum, betuigt dat, terwijl aan de overzijde nog de vlammen hun vernielend werk verrichten, wij hier onze werkzaamheden zullen voortzetten. Hij zet zich – op het monantisch, Kerstgroen tooneel verschijnt de engel Gabriël, die den inleidenden groet aan het publiek moet uitspreken, naar aloude wijze. Het is een jonge, forsche vrouw. Ze spreekt eenige woorden in de muisstille zaal. Ze heeft "'n schoonen avond" te wenschen en "een gelukzalige tijd". Ze stokt. Het krachtige lichaam schokt. Ze spreekt wederom eenige woorden, men zeit en voelt haar strijd – dan is het minutenlang stil in de zaal, men zeit het schokkend lichaam van den strijdenden engel, men hort zijn gesmoorde snikken.
En door heel de zaal breken de gesmoorde snikken aan den dag, mannen met koppen als Romeinsche veldheeren hanteeren hun zakdoeken … Eindelijk heeft zich de lijdende engel verwonnen. Hij spreekt zijn groet ten einde, moeilijk. Bij het laatste woord schiet de duivel tevoorschijn, rolt met geweldig geraas een zwaar gestoelte op het tooneel. "Gott sei dank, er macht's" verzucht m'n buurvrouw. En werkelijk gaat 't daarna, al blijft er vanzelfsprekend een gebrek aan entrain. Ze spelen tenminste ten einde, verschijnen aan het slot nog allen even, naar behooren, in lange rij op het tooneel, neigen vluchtig het hoofd, verdwijnen achter de coulissen. Stil gaat alles in z'n werk, voor applaus is hier geen plaats.
De toeschouwers gaan heen – om 8 uur is de zaal weer tjokvol. Dr. Steiner zal spreken. Z'n voordrachtenreeks voortzetten, die waarachtig geen peulschilletje is. Zal hij het bestaan? De anthroposofen weten ja, de gasten twijfelen. Men is wederom gespannen: zal hij spreken over den brand? Wat zal hij zeggen … Al hij binnenkomt rijst, in één impuls, gansch de zaal overeind voor den zwaargetroffen man, wacht tot hij het gestoelte betreden heeft … Inderdaad spreekt hij over het gebeurde, maar kort, als inleiding: "Unsre Freunde haben es in Liebe geboren, in Liebe heranwachsen sehen, aber nu auch in Liebe sterben sehen müssen." En dan releveert hij een voordracht, die hij 23 Januari 1921 hier gehouden heeft en waarin hij genoodzaakt was, er op te wijzen, welke vormen de haat en laster der tegenstanders hadden aangenomen en dat van hen alles te verwachten was; o.a. had hij gewezen op de woorden, die in een publicatie verschenen waren en waarin gesproken werde over "geistige Feuerfunkten, die nach der Mäusefalle (het Goetheanum) zischen"… "und es wird Klugheit Steiners bedürfen, versöhnend zu wirken, damit nicht eines Tages ein richtiger Feuerfunke der Dornacher Herrlichkeit ein unrühmliches Ende bereitet». En tevens had hij zich toen genoopt gezien te wijzen op de woorden, die een spreker had uitgesproken tot de katholieke vereeniging Jung-Solothurn: "Schart euch zusammen, Sturm dem Goetheanum!"
Dan spreekt hij verder: "In was geblieben ist, sollen die Verantstaltungen für unsre Freunde, die zum Teil gewiss hierher gekommen sind um Andres zu erleben als die Vernichtung des Goetheanums, fortgesetzt werden.
Wir müssen daran denken, dass wir aus dem Schmerz heraus die Kraft finden um desto energischer zu arbeiten für dasjenige, was wir als tiefbegründet in der heutigen Zeit empfinden".
Dan vat hij zijn voordrachtenserie op aan het punt, waartoe hij de laatste maal ze in het Goetheanum had gebracht. Somber had zijn stem geklonken gedurende het woord vooraf, thans komt er weer gloed in, ze wordt al levender. En ten slotte voelde je: hij overwint en hij laat je mee overwinnen. Je gedachten dwalen nu en dan heen naar dat stuk van je, dat op enkele meters afstand steeds nog je staat te ontvallen, staat weg te branden. Dr. Steiner sleept je als het ware terug met zijn woord. En je voelt: "laat ook alles zijn buiten deze zaal, breng hem je aandacht tegemoet". En elken avond daarna staat hij in die houten barak en spreekt. De krachten begeven nog steeds dezen en genen onder zijn gehoor – die wordt dan uitgedragen – Dr. Steiner vervolgt terstond, verbreuzelt geen moment.
Ook met bouwen zal hij vervolgen. De vraag van den eersten journalist, in het aanzicht van het brandende Goetheanum: Gedenken Sie wieder zu bauen? Werd beantwoord met "Unbedingt". In finesses was het Goetheanum nog niet af, nog steeds werd er aan gewerkt. Op den geheel te herstellen, alleen gebleven, onderbouw, wordt terstond een nieuwe arbeit aangevangen. Sommen heeft het bouwen verslonden: het verwerkelijken van nieuwe, nooit gezien vormen, en dan van zulke afmetingen! De verzekeringssom dekt niet een vierde deel van de besteedde kosten. Terwijl vele vrienden vele kunstenaren, belangeloos hun arbeit hebben geofferd. Hoeveel van dezen ligeen op het slagveld? Waar zullen bovendien de ontbrekende sommen vandaan komen, daar de tallooze Duitschers, Oostenrijkers en Russen, die oorspronkelijk den bouw droegen, inmiddels tot niets meer in staat zijn? Toch hopen de verzamelde vrienden hier uit het diepst van hun hart, als een kleine vertroosting in de groote smart, het voor een herbouw noodige geld bij elkaar te krijgen en het Dr. Steiner te kunnen aanbieden. Zelfs voor kunstenaren uit de middelrijken, die zouden willen komen om wederom hun arbeitd kosteloos te geven, is geld voor onderhoud noodig: ze kunnen niet eens meer als vroeger den soberen levensstandaard met de bevolking deelen. De talrijke Hollanders, die hier wonen, hebben hun oog om medeleven en hulp gevestigd op hun landgenooten, die vergelijkenderwijs nog in gemak en weelde zwelgen. De heer P.J. de Haan, Parkstraat 45, Utrecht, ziet voor Holland gaarne gelden tegemoet. Wij wenschen hem succes in dezen! Opdat we de woorden kunnen aanvullen, die de jonge man sprak, - een der vele offers van de reddingspogingen – welken men, bedwelmd van gassen, in een huis in den omtrekt had gelegd en die zich, zoodra zijn bewustzijn terugkeerde, van zijn bed naar het venster sleepte en, terwijl een verpleegster hem staande hield, sprak, zijn oogen extatisch in den gloed der vlammenzee: "Sie haben ihren Sieg – und dennoch ist sein Untergan schön!" – opdat we die woorden kunnen voltooien met - "Und der Freveltäter Sieg wurde besiegt von einem neuen Aufgang!"
Dornach, 4 Januari 1923
Adelyde Content.
terug naar "Artikelen"