terug naar "Artikelen"
15 augustus 1929, Het Vaderland
DE OPENING VAN DE NIEUWE GOETHEANUM-BIBLIOTHEEK
(Eigen
brief)
Al is verleden jaar September het Goetheanum met een feestelijk congres in gebruik genomen, dit zeide nog niet, dat het in allen deele tot zijn voltooiing was gekomen. Jaren zullen er nog overheen gaan, eer dat geweldig bouwwerk in al zijn ruimten aan zijn doel beantwoordt. Wanneer men bedenkt, hoevele jaren men tijdens het bouwen van het eerste Goetheanum zijn spitsvondigheid heeft moeten slijpen om voor de steeds aangroeiende menschenmenigte en de steeds aangroeiende behoeften ruimte te vinden, en dan na den brand, terwijl de Dornachbezoekenden of er zich vestigenden, steeds in getale toenamen, opnieuw – dan begrijpt men dat de menschen, aan het behelpen gewend geraakt, het in den ouden toestand nog wel een beetje konden uithouden. Men had nu tenminste den grooten "Bau" voor de voorstellingen en voor den telkens zich herhalenden stroom van congressisten: voor dagelijks gebruik sukkelde men maar voort met de houten bijgebouwen, die eens onder de leus "voorlopig" waren opgericht. Wanneer men alleen al denkt aan de oppervlakte, die de verschillende eurythmisten voor het geven van hun cursussen en privaatlessen en voor het instudeeren en oefenen noodig hebben, vraagt men zich af: hoe hebben ze het al die jaren geplooid? En tegelijk weifelt men: hoe hebben de vele tooneelspelers het gebolwerkt, eigen stem en spel te oefenen en den leergierigen hun verschillende cursussen te geven zonder als vliegmachines in de lucht met elkaar in botsing te komen! Intusschen, af of niet af, zoodra in den nieuwen Bau maar een ruimte niet bezet bleek, was die dan ook dadelijk in beslag genomen.
De bibliotheekruimten in het nieuwe Goetheanum waren echter nog steeds niet voor ingebruikneming geschikt. En vóór die behoorlijk van het noodige voorzien waren, werd kostbaar leesmateriaal niet overgedragen uit het bruinhouten gebouw, dat zich aan de Schreinerei aansluit en waar jarenlang de weetgierigen het lage trapje zijn opgewipt om er zich onuitgegeven lezingen van dr. Steiner, van welker bestaan ze vaak slechts van hooren zeggen wisten en waar ze dikwijls lang naar gehaakt hadden, te laten opzoeken. Want weliswaar verschijnt zonder ophouden, door de onvermoeide zorgen van mevr. Marie Steiner de ongelooflijke voorraad van haar stenogrammen van lezingen en cursussen in druk. Maar jaren zullen er nog verloopen, eer heel de voorraad aan den druk en daarmede aan de algeheele menschheid is overgegeven.
Intusschen zal het nu voor hen, die naar Dornach komen met de verwachting na te kunnen lezen, wat dr. Steiner op eenig hun interesseerend gebied over een bepaald iets heeft gezegd, voortaan mogelijk zijn, de nog onuitgegeven lezingen, en nog veel meer bovendien, in een alleraangenaamste omgeving door te werken. De inhoud van het oude z.g. archief is nl. thans overgebracht in het Goetheanum zelve, waar hedenmiddag de nieuwe, luchtige, ruime bibliotheekzaal in gebruik is genomen.
Zonder speechjes is de overgang tot stand gekomen. Er gebeuren hier dag op dag zooveel nieuwe dingen, zoo voortdurend treden er nieuwe toestanden in, dat men wel aan het gedenken zou kunnen blijven. Er was aangezegd, dat van half drie af in den middag de nieuwe leeszaal voor het gebruik zou zijn opengesteld en niets dan de nieuwsgierige en bevredigde blikken der langzaam binnenwandelende adspirant-lezers der pas aangekomen Engelschen vooral, en verder de pullen met kleurige bloemen op de lange withouten leestafels, wezen er op, dat een nieuw stadium wat de leesgelegenheid betreft, aan het Goetheanum was ingetreden. Blij en frisch vlood het licht door de groote vensters naar binnen, vermeide zich over de rijen groene lampen, die aan lange koorden neerhangen over de witte tafels en bleef spelend dwarrelen over de kinderen van Flora. Verlokkend lijkt het, zich in dit lichte, blije oord aan de litteratuur over te geven. Als men tracht te luisteren, hoort men als het ware het ruischen der stilte in het plechtig-wijd gebouw rondom. Aan den eenen zijkant de hoekig ingebouwde ruimten en gaanderijen met boeken, aan den anderen kant door den hooge vensters de sterke Jura-ruggen met den sinds enkele jaren verspreid aangenaam liggende witte huizen met de roode daken. De Jura-ruggen thans afwisselend in partijen van licht- en donkergroen, in den herfst rood gekleurd, in den winter roestbruin. Vóór de Jura-ruggen, schijnbaar dichtbij de vensters, nog juist het bovenstuk van den lager liggenden machtigen witbetonnen schoorsteen van het Goetheanum, welke zich, naar men weet, buiten het gebouw bevindt. Men voorvoelt, dat de ter weerszijde van den geweldigen schoorsteen opstrevende staketsels, die als het ware mee schijnen te helpen in het omhoog dragen van den rook, bij het lezen hier ook het hunnen zouden kunnen bijdragen in het omhoog heffen der gedachten.
Er zijn op de wereld verscheidene plaatsen, waar men aanzienlijk materiaal aan Steiner-lectuur heeft weten te verzamelen. Zoo ook in Den Haag in de bibliotheek Scheveningsche Weg 12. Maar verreweg het volledigst is zonder twijfel het archief in Dornach. Onvermoeid heeft men trachten te verzamelen wat van Rudolf Steiners studententijd af van hem sprak. En dat is een voorraad, waar men maar moeilijk z'n leven lang doorheen leest. Ik ken niemand, die er zich op beroemen kan, àlles doorgenomen te hebben, dan alleen enkele zeer oude aanhangers, welke tijdens het leven van dr. Steiner zooveel mogelijk zijn lezingen – en dat was jaar op jaar een ononderbroken reeks – en het resteerende telkens bij het verschijnen bij hebben gelezen. Maar zooals gezegd, dat zijn er maar zeer enkelen. Hoever ze het alles ook hebben kunnen verwerken, is een kwestie van individueele rijpheid. Allen zijn zelve overtuigd, dat er eeuwen zullen moeten verlopen, eer veel, waar men nu nog overheen leest, in het be- [een hiaat in de krant]…..
telkens weer doet: wanneer men na een jaar een werk van Rudolf Steiner herleest, lijkt het een volgende, veelvermeerderde druk, met intusschen weer gegroeid bewustzijn leest men bladzijden, waar men tevoren blind en doof overheen gedwaald blijkt.
Er bestaat een lijst van den onvermoeiden speurder Picht, die overal heeft rondgereisd, archieven en bibliotheken doorsnuffeld heeft, om de titels bijeen te krijgen van wat ooit van dr. Steiners hand verschenen is. Die lijst alleen al is een keurig en eerbiedwaardig boekdeel geworden. Wat het archief maar verkrijgen kon, daarvan heeft het zich met alle opoffering aangeschaft. In latere tijden, toen men ging inzien van hoeveel waarde het eens zou zijn, dat de ononderbroken reeksen lezingen bewaard bleven, kwam er een einde aan de gebrekkige stenografische aanteekeningen van enkele willekeurige trouwe toehoorders. Er werd voor gezorgd, dat zooveel mogelijk een ervaren stenograaf was bij elke gelegenheid, dat dr. Steiner een rede hield. Aan deze voorzorg danken het de velen, die dagelijks het archief komen bezoeken om na te gaan, of door dr. Steiner iets op een bepaald hen interesseerend gebied is gezegd, dat zij werkelijk vrijwel steeds zich er van kunnen vergewissen. Er bestaat nauwelijks een kwestie ter wereld, die dr. Steiner niet minstens eenmaal in zijn leven heeft aangeroerd, daar niets menschelijks hem vreemd was.
In de nieuwe leeszaal staan ook de vele, vele deelen van den dikken "klapper van Arenson". De oude componist Arenson uit Cannstadt heeft er zijn leven aan gewijd, een alphabetische lijst te bewerken van alle namen en zaken, waarover speciaal in de cycli van lezingen door R. Steiner is gesproken.
Dit alles wat het archief betreft. Maar is dit archief uit den aard der zaak een unicum op de wereld, ook de bibliotheek is dit in zekeren zin. Ieder, die n.l. van het bibliotheekwezen op de hoogte is, weet, hoe zonder onderscheid verzameld wordt, hoe het doel slechts is: compleet te zijn; hoe, wanneer een periodiek na korter of langer aanzijn sneuvelt, men zich bij deze besparing van geld en ruimte bevredigd over het vernuftig voorhoofd strijkt.
De lijn, die bij het stand komen van de Goetheanumbibliotheek is gevolgd, was het streven naar het bijeenbrengen der wereldliteratuur. Rudolf Steiner zelve beheerschte deze geheel, zinspeelde er bij zijn lezingen voortdurend op, liet het licht vallen op de geesten, die een werkelijk element hebben uitgemaakt in den grooten stroom der bewustzijnsontwikkeling, waar heel het menschengeslacht tot op heden toe doorheen geschreden is. Van de groote bij traditie beroemden ontleedde hij de werkelijke grootheid, de ten onrechte als wegwijzers der tegenwoordige menschheid beschouwden bracht hij tot hun ware kern en daarmede tot hun ware proporties terug; in het duister der tijden verzonkenen, wier woord tot leidende ster had kunnen zijn, bracht hij wederom aan het licht. In den geest van Rudolf Steiner tracht nu de Goetheanumbibliotheek in dezen zin volledig te zijn. Waarmede niet gezegd wil zijn, dat men alleen verzamelt, waarmede men het van anthroposophisch standpunt uit eens kan zijn. Dat wat den gang der bewustzijnsontwikkeling van het menschdom, van oude tijden af tot op heden, in al zijn op- en neergangen, belicht – dat zijn de werken, waaraan als document waarde wordt gehecht. Mystieke Oosterlingen en Westerlingen zijn zoo goed aanwezig als Ranke's pragmatische geschiedbeschouwing, als Darwin. Maar terwijl men de bv. in andere bibliotheken ook compleet zal trachten te zijn met de na-Darwinisten, hecht men hier in de bibliotheek geen waarde aan die verwaterde Darwinistische literatuur. Slechts Darwin zelve documenteert een kentering in den ontwikkelingsstroom.*)
Op deze wijze is hier een bibliotheek ontstaan, die de ware omhulling vormt voor de kern, die het Steiner-archief is. In deze lichte, luchtige bibliotheekruimte kan men Steiner onbegrensd bestudeeren, vrijwel alles, waarheen hij verwijst, kan men medebestudeeren. En waar hij naar verwijst, is – vrijwel alles, wat op aarde en in de wereldlitteratuur voorhanden is.
Deze tijden, waarin de menschheid zoo sterk naar bewustzijn dringt, tot onder oorlogskrampen aan toe, drijven er nu eenmaal als vanzelf toe, dat de mensch nadenkt en studeert over eigen en vergane tijden. De zoeker uit onzen tijd vindt in het Steiner-Archief en de Goetheanum-bibliotheek zijn terrein.
Hedenmorgen, toen ik voor de "Zollabfertiging" van een deel van mijn eigen uit Holland gearriveerde bibliotheek in de tram naar Bazel zat, werd me dit verschil met den nadenkenden mensch uit vroeger tijd nog weer tot bewustzijn gebracht. De onder de Dornachers zoo bekende oude mr. Collison, de jarenlange voorzitter van de Engelsche Anthroposophische Vereeniging, thans eere-voorzitter, vroeg, met z'n gezellige, geestige lachje, hoeveel kisten er daar wel aan het goederenstation stonden. Op m'n antwoord: vijf, bracht hij meelijdend-lachend zijn wijsvinger aan zijn voorhoofd. Stel u gerust, lezer, hij ging geen haarbreed verzitten, hij bedoelde slechts een vaderlijke deernis met moderne hersens. En hij vroeg: "Waar is de tijd, dat des wijzen bibliotheek bestond uit 6 werken: den bijbel, Cicero, Livius, Tacitus, Homerus en Horatius?" Ik vertrouwde hem toe, dat mijn Hollandsche vaderen er den wijzen Cats nog naast hadden staan. "De mijne weliswaar Shakespeare", lachte genoeglijk het oude heertje. Ik beken, dat ik me bij dit "weliswaar" voelde als een oubollige Hollandsche huismoeder naast een fee uit een fairy tale...
Dornach, 6 Augustus 1929 Adelyde Content
*) Het zal wel aan onze niet-anthroposofische scholing liggen, maar wij vinden de na-Darwinisten niet zoo onbelangrijk. Is de leer der sprongsgewijze ontstane variaties van onze landgenoot prof. Hugo de Vries niet een noodzakelijk complement van Darwins-theorie? – Red.
terug naar "Artikelen"