terug naar "Artikelen"

18.08.1929, Het Vaderland

UIT DE ENGELSCHE WEEK AAN HET GOETHEANUM

(Eigen brief)


     Hoewel één punt alle redenaars dezer dagen verbindt, nl. de vrijere, soepeler aan- schouwingswijze, die ze van dr. Steiner verworven hebben, zijn de onderwerpen hunner keuze toch vele en velerlei. Dr. E. Schwebsch, de schrijver van de fijne studies over Bruckner, hield o.a. een rede over "Fundamental problems of aesthetics" en een over "The artistic element in dr. Steiner's pedagogv". De Oostenrijker dr. von Baravalle, van wien steeds meer merkwaardige werken op mathematisch en astronomisch gebied het licht zien, sprak over "Astronomy". Dr. Hermann Poppelbaum, wiens onlangs bij Rudolf Geering in Bazel verschenen "Mensch und Tier, Fünf Einblicke in ihrem Wesensunterschied" alom de aandacht schijnt te trekken, gaf twee aller interessantste lezingen met lichtbeelden over: "The spiritual descent of Man." Aangenaam was het, ook den Haagsen psychiater dr. Zeylmans van Emmichoven hier het podium te zien betreden en onder een internationaal, aandachtig gehoor zijn klare, rustige lezing: "Dr.Rudolf Steiner's_ way of initiation in the sign of the Rose Cross", bij te wonen. Trouwens, de namen van nog twee anderen, wier weg over een Nederlandsche Universiteit heen naar het Goetheanum geleid heeft, vulden het program van dit Engelsch congres: doct. E. Vreede en G. Schubert.

     Alles memoreeren, wat dezer dagen hier aan wetenschap en kunst is opgebracht, gaat nu eenmaal niet. Vertellen we slechts nog wat uitgebreider over de gedachten, die de Waldorfleeraar dr. Karl Schubert uitsprak. Daar we dit in onzen 4 Aug. gedateerden brief in het vooruitzicht gesteld hebben. En tevens als voorbeeld van een niet zoozeer op één wetenschappelijk onderwerp gerichte als wel meer algemeen volstemmig georiënteerde rede. "Initiation as the origin of a new spiritual understanding", had dr. Schubert zijn lezing getiteld (inwijding als de oorsprong van een nieuw geestelijk inzicht).

                                                                                                                                                                                                         

Rede van dr. Schubert.

     De mensch, aldus dr. Schubert, staat op de aarde, omgeven door de rijken van mineraal, plant en dier; hij leeft in de vaste materie (aarde, mineraal), de vloeistof (water), de lucht en de warmte. In zich draagt hij de vonk van het goddelijk licht: zijn Ik. Hij omgeeft zijn Ik als het ware met liefderijke armen, zooals een moeder haar kind. Wat dr. Schubert begrijpelijk noemde, immers: de mensch heeft dit Ik niet altijd bezeten, de heele historische ontwikkeling bewijst, hoe hij zich zijn Ik onder smartelijke worsteling heeft moeten veroveren. Het centrum van ziin wezen heeft de mensch niet eeuwig in zichzelven gevoeld, in oude tijden werd het hem van buitenaf gereflecteerd. In streng verband zette Dr. Schubert uiteen, welke trappen dit spiegelen doorlopen had: in het oer-Indische tijdvak ondervond de mensch zijn Ik als hem toegestraald, in hem gespiegeld van de warmte, het licht uit; in de oud-Perzische cultuurperiode van de doorlichte lucht uit; in het oud-Egyptisch tijdvak werd het in hem gespiegeld van het water-element uit. Dan volgt het Grieksch- Romeinsche tijdvak: de mensch komt tot een bewustzijn van zijn Ik, doordat het hem, gereflecteerd wordt van de aarde uit. Bij dit verblijven van het Ik buiten den mensch zelven waakten, alle genoemde oertijden door, engelwezens over hem; in den Egyptisch-Chaldeëischen tijd ondersteunden hem de op het menschengeslacht, de menschenhierarchie, volgende hierarchie der engelen; in den oer-Perzischen tijd, toen de kloof noch grooter was tusschen den mensch en Ik, de hoogere hiërarchie der aartsengelen; en in den oud-Indischen tijd, dien tijd van slechts ragfijn verband met het Ik, steunde de hooge hiërarchie der Archae of Oerbeginselen. In den Grieksch-Romeinschen tijd steunden geen engelwezens meer, de mensch was op zichzelf gesteld: hij moest zijn Ik uit de aarde ontvangen. Zeer intiem sprak dr. Schubert hier over den Christus: (toen) Hij midden in het Grieksch-Romeinsche tijdvak op de aarde verscheen en Zijn kracht in den dood met de aarde en den mensch verbond.

     In den tijd der Renaissance zien we dan des menschen ontembare vreugde aan het beleven van zijn Ik, van zijn individualiteit. Dante: "de wereld is mijn vaderland". Maar tegelijk met deze uitbundige vreugde om, het Ikgevoel ontstaat een gevaar: het gevaar, den machten der duisternis te vervallen. Dan treedt Rafaël op en wijst met het woord van zijn penseel den waren weg. Door de nieuwe macht van het perspectief brengt hij het verre Goddelijke nader aan het menschelijk oog. Hij weet het kwade in het goede te veranderen. Met het kwade geld der aflaatbrieven betalen de pauzen Rafaëls goede kunst.

     De dan volgende tijden bewijzen, hoe de mensch van het Ik uit in zich de kracht verkrijgt, heel het aardrond te doorvorschen. Maar het eigen Ik herkennen kan hij niet. De kennis van den mensch zelven, van zijn geestelijken oorsprong, gaat verloren.

     Dan treedt Rudolf Steiner op. En hij brengt de wetenschap en de kunst van het geestelijk perspectief. Hij brengt den mensen de mogelijkheid, de wereld van zijn oorsprong, de geestelijke wereld, wederom te naderen. Door twee eenvoudig-zekere wegen wijst hij den weg: door moreele verdieping en groei, èn door een intensiveeren van het denken, een bevrijden van het denkvermogen uit het louter gebruik tot denken van het zintuiglijke.

     Door den eersten weg, dien der moreele verdieping, verandert de mensch zijn verhouding tot aarde, water, lucht en licht. Door gerechtheid en trouw verwerf hij zich, een zeker geestelijk houvast, waardoor hij zich staande zou kunnen houden ook als de aarde hem als bodem ontzinken zou. Door de kracht van het geloof verwerft hij zich het evenwicht, de beheersching van het waterelement. Door de kracht der hoop verheft hij zich tot geestesvlucht: hij verstaat het lucht-element; door de kracht der liefde gewordt hem de moed, zich te verheffen tot en zich open te stellen voor de geestelijke wereld. Dezen weg kan men ook zien als den weg van Petrus, Jacobus en Johannes: Petrus, de kracht des geloofs, voert van de aarde tot het water; Jacobus, de macht der hope, voert van het water tot de lucht; Johannes voert tot de offerende liefde, de warmte.

     Bij dezen eersten weg der verhoogde moraliteit moet zich de weg van het verhoogde, verintensde denken voegen. Dit mediteeren kan men o.a. oefenen aan de wijze, waarop dr. Steiner het mediteeren over het Rozenkruis beschrijft. Stelt men bv. mediteerend naast elkander de natuur van den mensch en die van bv. den steen, de roode roos, den leeuw, dan vervult men er zich mede, hoe de mensch die alle overtreft, maar tegelijk in zedelijke onschuld de mindere blijft. Uit dit doorleven ontstaat de deemoed, d.w.z. het verlangen naar volmaking, naar loutering. Het zwarte hout van het kruis kan men vervolgens zich voorstellen als het teeken der overwinning, de roode rozen er omheen als het teeken van het gereinigd bloed, het gereinigd innerlijk. Een beeld als het Rozenkruis werd eens door den mensch in de wereld gezet uit zijn in- nerlijk leven vandaan, uit zijn vrijen wil. Denkt men over zoo'n beeld krachtig na, dan kan men door dit zijn denken bevrijden, d.w.z. vrijmaken van het lichaam en ombouwen tot een geestelijk waarnemingsorgaan. Het verwerft zich de mogelijkheid der imaginatieve beelden, waarin, als door de hoogere schilderkunst van het geestelijk perspectief, de geestelijke wereld ligt uitge- drukt.

     Oefent men vervolgens het innerlijk zwijgen, dan verwerpt men bij dit imaginatievermogen bovendien het vermogen der inspiratie, welke de geestelijke wereld in tonen doet gewaar-worden. En doordringt men zich met de offerende liefde, dan schrijdt men voort tot de trede, waar de intuïtie een vermogen van den mensch wordt. In de intuïtie vereenigt hij zich met de wezens der geestelijke wereld.

     Het beschrijden van dezen ontwikkelingsweg brengt de ware impulsen, die onze tijd noodig heeft. Het tegenwoordige ontwikkelingsstadium dringt om "inwijding". Door een inwijdingsweg als den genoemde kan de mensch de cultuur zoo doordringen en omzetten, dat ze een beeld wordt van den geest.

     Deze bescheiden uitgesproken rede maakte grooten indruk op het meerendeels Angel- saksisch auditorium. Eigenlijk aarzelen we, haar subtiliteit aan den dagbladinkt over te geven. Alleen het gesproken woord wist de Griek van vleugelen voorzien. Mogelijk redt echter juist de uiterste subtiliteit de vleugelen der woorden door den zwarten neerslag van den inkt heen en verheffen en dragen ze u, o lezer....

Dornach, 13 augustus 1929                                                                                                                                               Adelyde Content


terug naar "Artikelen"