terug naar "Publicaties"
23.02.1929 Het Vaderland
De Hochschule für Geisteswissenschaft der Anthroposofen
Sinds eenige dagen doorleeft de Dornacher correspondentie van Het Vaderland het sprookje van den koninklijken lakei, die als nederig dienaar insliep en als koning ontwaakte.
In den nachttrein ginds ingeslapen voor een kort verblijf in Holland, ontvouw ik, aan den huiselijken vaderlandschen haard uigestrekt, Het Vaderland en laat me op mijn beurt over Dornacher indrukken inlichten.
Ik verzeker u: het is vrijwel het intressantst probleem, dat iemand kan worden toegestaan – rolsverwisseling. Alleen brandt de nieuwen koning onwillekeurig het verlangen, als ingewijde ter plaatse, den nieuwen dienaar wat over de ambtsgeheimen toe te fluisteren. Ik beken: te meer, nu de talentvolle waarnemer van het ambt zelf verklaart, dat veel hem duister blijft, jeuken me de geestelijke vingers ….. De koningsdroom van één dag zij, met dank voor het zoet genot, ten einde.
Voorop zij gezegd, dat het bewonderenswaardig is, zooveel als onze sportcorrespondent in een goeden halven dag in Dornach heeft opgemerkt. Voor iemand, die er vreemd aankomt, is het werkelijk heel wat. Hij verklaart daarbij, vast besloten te zijn, indien mogelijk, een langer bezoek aan Dornach te brengen. Wat wij toejuichen, aangezien het hem de mogelijkheid zal geven, het beeld, dat hij van Dornach ontving, alzijdiger uit te bouwen.
Een factor, waarom – naar ik den indruk heb – onze correspondent Dornach thans speciaal van ééne, nl. vooral van de wetenschappelijke zijde heeft leeren kennen, is misschien hierin te zoeken, dat hij er juist geweest moet zijn in den tijd, toen, wegens den treurigen dood van den voorzitter der Duitsche afdeeling, een groot deel der kunstsectie naar Stuttgart was. Zoo het mannenspreekkoor, dat bij de crematieplechtigheid zijn medewerking zou verleenen. Aan dit feit zal het waarschijnlijk toe te schrijven zijn, dat de correspondent – en dit is het voornaamste punt, waarom ik mijn rol van tot-koning-gepromoveerde niet zwijgend volhoud – vraagt, waartoe dat machtig bouwwerk, het Goetheanum, daar staat. Als ik terugdenk aan mijn eigen indruk op het moment, dat ik naar Stuttgart zou vertrekken, kan ik me die vraag: waartoe dit bouwsel(?) begrijpen. Als uitgestorven lag daar het kolossaal gebouw, nu alle artiesten, die er anders een onafgebroken levendigheid omheen brengen, òf waren weggereisd òf in die rouwdagen onwillekeurig stil hun gang gingen. Wij, die het leven daar in zijn fleur kennen, waren zelf verstomd over de stilte, die opeens boven op den heuvel, welks top het Goetheanum kroont, heerschte, alsof de rouw in Stuttgart zich tot het Dornacher centrum had uitgebreid.
Dat een bezoeker getroffen wordt door den strengen, straffen arbeid in de Dornacher laboratoria, ziekeninrichtingen, scholen en dergelijke, is te begrijpen en toe te juichen. Ook dat hij, als menschlievend en praktisch man, wanneer hij hierna een geweldig gebouw momenteel ietwat verlaten ziet liggen, overweegt, dat hij liever aan den zoo juist aanschouwde practischen vorschersarbeid zou zien toebedeeld. Nu is het echter zoo, dat alles, wat in Dornach is opgebloeid, zijn oorsprong dankt aan het feit, dat aan dr. Steiner indertijd aldaar grond werd aangeboden, opdat een waardige eigen omgeving geschapen zou worden voor de opvoering van zijn drama's. Als bestendig oord voor deze spelen is Dornach oorspronkelijk bedoeld geweest; door de jaren heen hebben zich om de kunsthal, die het Goetheanum bedoelde te zijn, vele instellingen gevestigd, die onder het toezicht wenschten te werken van den titanischen geest, die op alle gebied, op de diverse terreinen aller wetenschappen en kunsten, nieuwe impulsen bracht. De bijgekomen instituten zijn voor zichzelf verantwoordelijk, werken op zichzelf, ook economisch. Door de geweldige vlucht echter, die reeds tijdens den bouw van het eerste Goetheanum de wetenschappelijke arbeit op alle terreinen nam, waar Rudolf Steiner vakgeleerden ter wille was, wijzigde zich de bestemming van de kunsthal Goetheanum spoedig reeds in zooverre, dat zij ook als hoogeschool-aula gedacht werd. De vakgeleerden der instituten rondom vinden in het Goetheanum de plaats, waar ze de in de praktijk van ziekenhuis en laboratoria opgedane ervaringen en onderzoekingsresultaten aan een breeder publiek kunnen bekend maken.
Wat we echter vooral niet mogen vergeten, is, dat voor de anthroposophie wetenschap en kunst niet twee gescheiden grootheden zijn. Zoo min als het godsdienstige voor den anthroposoof iets is, dat op zichzelf staat. Elk waar anthroposoof zoekt noch uitsluitend wetenschapsmensch, noch uitstluitend kunstenaar, noch uitstluitend godverkondiger te zijn. De geleerde laat zijn wetenschap door de kunst bevruchten en "maakt van zijn laboratoriumtafel een altaar" (om met dr. Steiner te spreken). Doordat hij nl. tracht, geen oogenblik te vergeten, dat zijn proeven in dienst staan van het groote anthroposophische doel: het weer opsporen van de banden, die er tusschen hemzelf, den mensch, en het heelal bestaan en er daardoor een zekere wijding over zijn experimenteer-arbeid komt. De kunstenaar schept religieus krachtens zijn streng wetenschappelijke zelfontginning en wereldontginning. En ga ik b.v. een lezing van een anthropopsoof hooren over een der evangeliën, dan heb ik reden te verwachten, dat hij van een gemoed uit, dat zijn verband met het kosmische gevonden heeft, zijn lezing tot een kunstwerk weet te vormen, waar ook de strengst logische geleerde geen bezwaren tegen in kan brengen.
Het Goetheanum staat op den Dornacherheuvel als een eenheidsgebouw voor kunst, wetenschap en religie. Als monument voor de hereeniging dier in oude tijden verbondenen. Zonder het Goetheanum, dit gebouw der nieuwe "Hochschule für Geisteswissenschaft", waar in waardig interieur de wetenschap zich altaarstemming verwerven en zich door kunst laten bevruchten kan, hadden de rondom gelegen vorschersinstituten de reden van hun bestaan aldaar verloren. Zelfs voor de geleerden, die van buitenaf komen om de resultaten der wetenschappelijke experimenten te aanschouwen, staat daar in de allereerste plaats de kunsthal Goetheanum met haar machtig tooneel en haar machtig spreekgestoelte.
De correspondent vraagt: "Wat wil men met dezen kolossalen tempel?" Het is waar, dat het ons in het eerste Goetheanum steeds trof, hoe alle vreemde bezoekers hun schreden dempten en den hoed onder den arm namen; en tòch heeft dr. Steiner er zich voortdurend tegen verzet, dat van het Goetheanum als van een tempel gesproken zou worden. Omdat hij vreesde, dat men zijn gebouw als het huis eener secte zou gaan aanzien. En sectarisme, afgescheidenheid van het menschdom, was juist datgene, wat het verst van hem lag. Zijn anthroposophische beweging zette hij midden in het volle leven en zelf heeft hij tot zijn laatsten dag toe het wereldgebeuren in al zijn factoren gevolgd.
En dat Rudolf Steiners "Hochschule" zoo "kolossaal" werd opgezet. Ja, het is nu eenmaal zo: al wat Rudolf Steiner ondernam, ondernam hij grootscheeps. Om ook eens met een getal te komen: de ruimte inhoud van het Goetheanum bedraagt = 105'000 m3. Hadden overheidsbepalingen hem niet beperkt, hij had het nòg grooter gebouwd. Wat wil men?! Als iemand, wiens geest zich over alle cultuurgebieden uitstrekt, die overtuigd is, dat de revoluties, wel hij op al die gebieden teweeg brengt, een wereldbeweging beteekenen – wanneer zoo iemand gaat bouwen, zet hij niet een kluisje, maar een monument. Het aardoppervlak was voor Rudolf Steiner een reëel ding. Een gebouw verandert iets aan dat vlak. Wanneer hij het aardoppervlak van aanschijn deed veranderen door de centrale behuizing voor zijn wereldbeweging, kon dat alleen een machtig monument in het hartje van Europa zijn.
Dat de leerlingen van dr. Steiner, die op alle terreinen de vruchten plukken van zijn titanischen geestesarbeid en daardoor zijn beweging als een wereldbeweging hebben leeren zien, het nagelaten ontwerp van hun leeraar in zijn geest wenschen uit te voeren en vooral niet te verkleinen, is te begrijpen. Rudolf Steiner wenschte het Goetheanum als monument voor de nieuwe geestesbeweging; zij, die hem de hernieuwing van hun geestesleven danken, wenschen het Goetheanum bovendien als monument, d.i. waarschuwingsteeken, voor den grooten geest, die onder hen verbleven heeft.
Een Mekka*) – onze correspondent houde me ten goede – is Dornach zoo min als dat de grondsteen, waarop het Goetheanum gebouwd is, met den in den Zuidhoek van den Kaäba ingemetselden heiligen steen der Mohammedanen te vergelijken is. Deze laatste heet door den engel Gabriël bij den bouw van de Kaäba naar de aarde gebracht te zijn; de grondsteen van het Goetheanum werd door Rudolf Steiner zelf in den bodem gelegd, plechtig, zooals dat bij het bewustzijn der geweldige strekking van dit gebouw behoorde, maar als mensch onder menschen, zooals hij al zijn daden op aarde verrichtte. En heel zijn wezen, dat vrijheid verkondigde, zou zich verzet hebben tegen ook maar een verre vergelijking met een Mekka, met z'n verplichten bedevaartgang minstens eenmaal in het leven.
Maar van zijn dwalling van Dornach als oord van goedbedoelende, in profetenvereering verdroomde geloofsgenooten, hoef ik den briefschrijver niet meer te genezen. Hij erkent zelf, dat hij, in plaats daarvan, verrast werd door een verzameling hard en wetenschappelijk-reëel werkende menschen.
Vanwaar toch die vooropgezette onreële idée fixes? Niemand hoort met grooter en gezonder humor de geruchten over hem dan de anthroposoof zelf. Met een note gaie[1], een historische, moge ik eindigen.
Op een Zondag, tijdens het openingcongres langstleden September, is een jonge vrouw met haar kindje aan het wandelen, blootshoofds, zooals dat daarbuiten gewoonte is. Een dergelijk uitgedost Zondagspaar komt den berg op, vraagt de jonge vrouw geheimzinnig, of zij denkt, als ze dit pad opgaan, dat ze dan "anthroposofen" zullen tegenkomen. "Waarschijnlijk, wel", is het antwoord, dat onder een glimlach gegeven wordt bij de gedachte, dat de berg van anthroposofen wemelt. Het Zondagspaar komt vertrouwelijk nader, vraagt nòg geheimzinniger, hoe men ze herkennen kan, hoe ze er uitzien …."Zoals ik bijvoorbeeld", lacht fijntjes de jonge vrouw. Tableau[2]! De wandelaars hadden in de krant van de opening van het gebouw der anthroposofen gelezen en hadden hun Zondag aan een reis over de grenzen geofferd om de niet-etende, biddende phenomenen te zien, vertelden ze. Gedesillusioneerd staarden ze op het door levenswind verweerde, rustige, schoone gelaat der jonge moeder.
Adelyde Content
[1] "gaie" wordt tegenwoordig nauwelijks nog gebruikt. Het betekent: een vrolijke noot of een luchtig intermezzo (komt uit het frans: "la note gaie").
[2]"Tableau" = Verrassing, "Kijk eens aan!"
terug naar "Publicaties"