terug naar "Artikelen"

Dornach, 26.11.1929, Het Vaderland

ALBERT STEFFENEN DE HONGAARSCHE PEN-CLUB

(Eigen brief.)

    De ook ten onzent¹) bij de fijnproevers der literatuur welbekende Zwitsersche schrijver Albert Steffen was door de Pen-Club in Hongarije uitgenoodigd, uit zijn werken te komen lezen en de Hongaarsche fijnproevers hebben de aanneming van de uitnoodiging weten te waardeeren en den gewoonlijk honkvasten dichter hartelijk en eerbiedig in hun midden opgenomen.

     Men weet, dat de Pen-Club de door Galsworthy opgerichte internationale vereeniging der uitgelezen schrijvers is en dat haast ieder gecultiveerd land een afdeeling bezit. Zwitserland heeft, merkwaardigerwijze²), niet een eigen afdeeling. Dit "merkwaardigerwijze" ontspruit der gedachte aan de vele kernachtige, oorspronkelijke vertellers en dichters, die dit land heeft opge- leverd en ook heden ten dage bezit. Het verhaal van den Zwitser trekt en boeit als de zware, zoele dampen uit zijn vrij-gedooiden bodem, als de prikkelende tinteling der Zwitsersche lucht. Eenige maanden her werd er een proefnummer van een volksblaadje onder mijn deur geschoven, waarin ik, ter nadere kennismaking met den Zwitserschen geest, een novelle van een willekeurigen verteller las: de rake kijk, greep en typeering zijn me tot heden bijgebleven.

     In elk geval is het een gelukkig teeken, dat uit dit land zonder Pen-Club thans de meest universeele, van het Zwitserschnationale uit het meest tot den breeden, alomvattenden geest opgestegen schrijver en dichter naar de Hongaarsche Pen-Club geroepen werd. In Dornach, waar de schrijver als voorzitter der Algemeene Anthroposophische Vereeniging woonachtig is, liepen tijdens zijn afwezigheid voortdurend berichten binnen over de weidsche vereering, waarmede de kunstenaar door zijn kunstbroeders, door de fijnproevers en door den Staat gehuldigd werd. Zwitsersche kranten drukten strooken uit Hongaarsche bladen af. Het avontuurlijk plan ontstond in mijn brein, tegen den terugkeer van den gevierde mijn visitekaartje af te geven met verzoek om een interview.

     Wanneer men weet, hoeveel hoogste kunst er in Dornach naamloos geboden wordt, begrijpt men, dat het denkbeeld van een interview van den voorzitter, voor een krant, avontuurlijk te noemen is. Alles geschiedt onder de anthroposofen, ook daar, waar iemand zijn sterkste individualiteit bij een schepping in het spel brengt, onder den naam Rudolf Steiner of anthroposophie. Sterker, want bewuster, is dit wegcijferen van de eigen persoonlijkheid dan in de tijden van "Willem, die den Madoc maecte".

     Avontuurlijk is ook bij dezen schrijver, wiens heele wezen niets van doen heeft met uiterlijk vertoon, het verloop geweest van het interview, dat geen interview was. Ik verzeker den lezer, dat er "Ausdauer" aan te pas is moeten komen, en dat ik mezelf soms erg er-op-los-houwerig ben voorgekomen tegenover het op-de-linie-terugtrekken van de voorname, bescheiden kunste» naarsziel.

     Eergisteren, Zondag, begon mijn meedoogenlooze aanval. Bij de eurythmieopvoering, die elken Zondagmiddag aan het Goelheanum plaats heeft in een met anthroposofen, Dornachsche dorpelingen en Bazelsche stadmenschen overvulde zaal, stond ik opeens tegenover den, nog vroeger dan ik verwachtte, gerepatrieerde. Vriendelijk dankte hij voor de verwelkoming, die m'n kaartje tegelijk betekend had. Meteen stak ik van wal.

"En zou het u mogelijk zijn, me voor wat mededelingen van uw ervaringen te ontvangen?"

De schrijver stak op zijn manier van wal tegen de zichzelf akelig practisch en nuchter en materieel voorkomende journaliste:

"Ach, waartoe?" En dan, het doorgeestelijkt gelaat één welwillende glimlach: "Dit ligt alweer in het verleden. Is alweer afgedaan, 't Zou vreeselijk vervelend worden."

Hier was een punt, om politiek in te grijpen en vast te zetten:

"Hebt u werkelijk zoon geringen dunk van m'n journalistieke mogelijkheden, dat u me niet toevertrouwt, van uw ervaringen iets niet-vervelends te maken?"

Hier was toch werkelijk wellevendheidshalve niets meer tegen in te brengen. Maar Albert Steffen vond een oplossing:

"Vanavond lees ik, als gewoonlijk, in de zaal een rede van dr. Steiner. Bent u aanwezig? Het plan is n.l., dat ik wat indrukken van m'n reis vooraf vertel."

"Ik hoop, dat het voor mijn begeerige nieuwsgierigheid en voor die van m'n litteraire lezers in Holland genoeg is."

"Als u denkt, dat 't voldoende belangrijk is, kunnen we dan altijd nog verder praten….. " Het tooneeldoek week uiteen, de voorstelling begon.

                                                                                       * * *

     Het was inderdaad belangrijk, des avonds, en smaakte naar meer. Zoodat ik me heden- middag aan het lage, eenvoudige huisje van den schrijver tegen de helling van den Goetheanum-heuvel liet aandienen.

     Het kan aan mijn onbegaafdheid voor het Interview — tekort aan journalistieke durf en taaiheid — liggen maar ik weet niet, of er ooit ter wereld een negatiever interview tot stand is gekomen. D. w. z. een interview, waar men, inplaats van er met buit beladen uit te voorschijn te komen, aan banden werd gelegd. Persoonlijken buit heb ik vermeesterd, fijne trekjes, diepe in- kijken, wijde perspectieven heb ik in m'n schatkamer mogen bergen, maar — bij het juist belangrijkst gewin werd toegevoegd: "Dit kan natuurlijk onmogelijk in de krant".

     Zoodat ik thans voor de merkwaardige taak sta, Steffens ervaringen in de Hongaarsche Pen-Club en annex daaraan iets over het wezen van den schrijver Steffen te vertellen en daarbij dat, wat me het brandendst op de tong en het sprongvaardigst op de punt van mijn pen zit, te moeten terughouden. Ik mag niet schrijven, wat de Pester Lloyd over hem schreef van tweemaal den Duitschen Schillerprijs, omdat dat niet juist is. Maar wat ik, bij doorvragen, te weten kwam, wat dan wèl juist is en wat het onjuiste bericht overtreft, mag ik ook niet vertellen. Ik mag niet in de krant zetten welken rang men hem in de Pen-Club wilde opdragen. Ik mag niet in de krant … niets mag ik in de krant zetten van datgene, waarvoor men gewoon is, den geinterviewde aan te klampen, omdat de lezer nu eenmaal feiten verlangt. Met het gevolg, dat ik hier alleen maar neer kan schrijven, dat het me duidelijk geworden is, dat de mentaliteit van den gemiddelden mensch — welke ik bij mijn pogingen tot interviewen op den achtergrond van m'n bewustzijn hield en naar welke ik m'n vragen inrichtte, daar het toch de gemiddelde lezer is, die geïnformeerd moet zijn — nog zeer ver afstaat van de mentaliteit van dezen fijnen Zwitser. Men moet als ondergeteekende met het gevoel van een booze toovenaarster, die in een heksenketel ijlen geest te condenseeren zoekt, tegenover den dichter gezeten hebben, om dit onherroepelijk vast te stellen. En psychologisch de toelichting te verstaan, die doorgaans bij het: niet in de krant(!) gegeven werd: "Dat is immers maar bijzaak".

     Nu dacht ik echter, dat ik tot slot toch nog een eenigszins onpersoonlijke, dus gerechte en vruchtbare vraag in petto had:

"Zoudt u uw oordeel willen uitspreken over de mogelijkheden volgens u der tegenwoordige literatuur?"

"Wel voor u, niet voor de krant. Het is toch niet aan mij, maar aan den tijd, om te doceeren, dat.…".

     De scherpe, onafhankelijke typeering van wat er, speciaal in de Duitsche literaire wereld, aan tijdssymptomen af te lezen is, mag niet in de krant, o misdeelde lezer.

     Op één vraag echter heb ik een antwoord verkregen, waarbij ik den lezer niet hoef te misdeelen, een antwoord dus, dat niet alleen den mensch, maar blijkbaar ook der journaliste werd toevertrouwd, getuige het achterwegeblijven van het gerepeteerde: "Das sind nur Nebensächlichkeiten".

Mijn vraag luidde:

"Zoudt u iets kunnen zeggen over een wijziging in uw literaire loopbaan, toen u met dr. Steiner en de anthroposophie in aanraking kwam?

Het eenvoudige antwoord luidde:

"Over een wijziging in mijn werk is niets te melden, ik vond bij Rudolf Steiner een denk- en aanschouwingswijze, die altijd in me geleefd hadden. Zelfs het reïncarnatie-vraagstuk was reeds op mijn 15e jaar geen vraagstuk meer voor me, ik was daar op dien leeftijd zelf reeds op gekomen, heb het toen reeds in schrift vastgelegd".

                                                                                          * * *

     Dit is alzoo het weinige, dat ik uit het uurtje in de van papieren en boeken doorzwermde kamer van den diepzinnigen mensch-en-schrijver kan overbrengen. Eenig beeld van hem geeft het den lezer waarschijnlijk toch reeds. Ik hoef zelfs niet toe te voegen zijn opmerking aan het begin van ons gesprek: dat hij het liefst zich in de stilte terug zou trekken, in de stilte arbeiden. De stille wijze, die uit hem spreekt, zegt het u trouwens, ook als zijn mond het u niet zegt. De sterk spiritueele kop met den klaren, scherpen, rustigen blik hebben niets uitstaande met eer en roem en den verderen buitenkant van leven en wereld.

     Onfeilbaar gaat echter op, dat juist het werk van de "stillen in den lande" waarden in zich draagt. Zoo min als het negatief interview mij heeft afgeschrikt, ook zóó nog er mee voor den dag te komen, even positief moge het den lezer aansporen, zich met dezen stille-in-den-lande door zijn werk te verbinden. Hier is oogst te halen. De juist verschenen, van rijpe wereld en zielekennis getuigende roman Wildeisen is de laatste publicatie van een reeks romans, drama's, studies en verzenbundels, hoewel de auteur betrekkelijk nog jong is. Het sterke, zuivere, geestelijke element, dat al deze werken ver boven de hedendaagsche veelvuldig decadente, ephemere literatuur uitdraagt en ze inschakelt in de groote, de evolutie van het menschdom typeerende wereldliteratuur, maakt dat het geen zin heeft, enkele uit de verschenen werken speciaal te releveeren. Elk der werken draagt het goud aan van den mijn, waaruit het stamt.

                                                                                      * * *

     Wat de Pester Lloyd van den 13en November tijdens Albert Steffens verkeer in de Pen-Club, zijn lezers verried, is iets, wat de dichter niet achterhalen kan. Wat eenmaal gedrukt staat, ontslipt iemands macht en invloed. We lezen aldaar o.a., onder het opschrift: "Albert Steffen in Budapest, Vorleseabend des Schweizer Dichters im Pen- Klub":

     "De Zwitsersche schrijver van naam Albert Steffen, wiens romans, drama's, essays en ge- dichten bij een uitgebreid internationaal lezerspubliek de hoogste waardeering genieten, las hedenavond op uituoodiging van de Hongaarsche Pen-Club in den Kunstkring Fészek voor een uitgelezen publiek uit zijn werken voor. De schrijver, die voorzitter van den Anthropososophischen Wereldbond in Dornach is en die, bij de gelegenheid van zijn verblijf te Boedapest, ook de in den geest van den anlhroposofenleider dr. Rudolf Steiner werkende "School op den kleinen Schwabenberg" heeft bezocht, werd in naam van de Pen-Club begroet door dr. Anton Radó....

     De gast las dan een novelle: "Die Heilige mit dem Fische", eenige gedichten en een fragment uit zijn roman "Lebensgeschichte eines jungen Menschen". Het merkwaardig bezield en melodius orgaan van den schrijver wist de verborgen fijnheden der literaire keur, die hij ten beste gaf, met dramatische kracht aan den dag te brengen. De eerstgenoemde vertelling welke aan den, bij den uitgever S. Fischer te Berlijn verschenen novellenbundel van gelijken naam was ontleend, werkte wel het sterkste en spiegelde ook geheel het kenmerkend wezen en de wereldbeschouwing van Albert Steffen. Het geldt hier een waarheids- en gerechtigheidszoeker als Jakob Wassermann; het gaat er niet om, schuld en zonde te wreken, maar te vergeven — zooals de held der novelle de uitspraak doet: "Zoolang ik wraak wil nemen, kan ik geen visschen vangen!" Zelfverwinning der donkere driften en hartstochten; geloof aan de Stem van het Geweten en de Goddelijke Voorzienigheid; de zekerheid —en daarin komt de anlhroposophische wereldbeschouwing tot uitdrukking — van een voortleven der ziel in een ander lichamelijk hulsel: dat ongeveer is de geloofsovertuiging van Albert Steffen, welke allen aanwezigen diep in het hart drong. Rijke, warme bijval viel den gast ten deel voor het hoog artistieke genot, dat hij zijn hoorderskring had geboden, in welks gelederen zich, naast talrijke Hongaarsche literatoren, ook de plaatsvervangende staats- secretaris van het ministerie van Kunsten en Wetenschappen, baron Julius Wlassies Jr. en staatssecretaris b. d. Philipp Rottenbiller bevonden."

     Dan vinden we nog berichten over een banket, Albert Steffen ter eere :

     "Na afloop had een banket plaats, waarbij o.a. Oberpräsidialrat dr. Anton Radó als gastheer Albert Steffen huldigde. In zijn toespraak roerde hij ook de instelling der Pen-Clubs aan en legde er den nadruk op, dat het veel gunstiger zou zijn, wanneer het centraalpunt niet in Londen, maar in Zwitserland lag, welk land zich van den vreeselijken chaos van den wereldoorlog verre kon houden en wanneer daar mannen aan het hoofd van den Bond stonden als Steffen, die zich in heel zijn levenswerk doordrongen toont van de hoogste toekomstidealen der menschheid."

     Dr. Radó sprak dan over Hongarije, zijn "zu Boden getretenes" vaderland.... "Aber nicht die verstockten Politiker, sondern die geistige Elite der Völker, die Dichter und Schriftsteller, sind es, von denen wir Hilfe erwarten. Jeder wahre Dichter ist ein Verteidiger der Menschenrechte, und deshalb wagen wir zu behaupten, dass Jeder wahre Dichter unser Kampfgenosse ist!"

     De gevierde schrijver heeft gedankt, door den Hongaren zijn indrukken van hun bodem, landschap en geschiedenis te vertellen, en hun al sprekende meteen te bewijzen, hoe thuis hij is ook in hun literatuur. En ten slotte heeft hij hun van zijn deelneming in het tegenwoordig lot van land en volk gesproken.

                                                                                         * * *

     Ook dien Zondagavond, toen hij aan het Goetheanum alzoo, op verzoek van vrienden, iets over zijn Hongaarsch verblijf vertelde, heeft hij den treurigen toestand van het onder de vredesbepalingen zwoegende land geschilderd. Er weeft en zweeft echter iets door de lucht en door de gedichten der besten, zeide hij, wat wijst op een vermoeden en begrijpen, dat slechts van den geest uit een oplossing en genezing te zoeken zijn. Steffen prees zich gelukkig, dat hem ginds veelvuldig naar Dornach en de "Geisleswissenschaft" aan het Goetheanum gevraagd is en dat hij op deze wijze den cultuurdragers van Boedapest van Rudolf Steiner en diens levenswerk heeft mogen vertellen.

     Grappig was het — en het verwekte ook luide vroolijkheid — dezen eenvoudigen, on- afhankelijken, den geest gewijden mensch glimlachend te hooren biechten, annex aan een mededeeling over het sprookjesachtig karakter van Boedapest met de, den bodem ontborrelende, heete bronnen, waardoor het hotel, waar hij logeerde en dat op zoo'n bron gebouwd was, niet verwarmd behoefde te worden, ook zóó het tot 60 pct. bracht — hem te hooren biechten, dat hij als gast van den Staat veertien dagen in dit grootste hotel van de stad gratis verblijven mocht en een spoorbiljet, waarmede hij per eerste klas overal in Hongarije zou mogen rondreizen, ontving plus de aanwijzing, dat hij zich in elke stad, waar hij wenschte te verblijven, direct als gast van den Staat tot den burgemeester wenden kon. De gezellige geamu» seerdheid in de zaal over dit feit noopte den referent, toe te voegen, dat hij dit ter eere van Hongarije, niet van zichzelve mede-mededeelde.

     Aardig was ook zijn beschrijving van een episode uit een feestelijk samenzijn ten huize van den belangrijken letterkundige Melchior Lengyel. Men drong hem aldaar —en het is te begrijpen, dat de collega's bij dezen merkwaardigen kunstbroeder denken en zoeken: wat zit er achter dezen mensch(?) uit welk geestesleven stamt hij(?) — men drong hem ook in dezen kring: "Erzahlen Sie von Dornach —" erzahlen Sie van Rudolf Steiner." Terwijl Steffen — de wereldwijze Steffen, die uit zijn werken spreekt — rustig wachtte of de wil, te hooren van hem, dien hij zijn grooten leermeester noemt, werkelijk algemeen was, ontstond er een zekere onrust onder het gezelschap. Het bleek, dat de gastvrouw iets bijzonders voor haar gasten in petto had en dat deze attentie op het punt was, in vervulling te gaan: het doorluchtig gezelschap der Muzenzonen zou vergast worden op den aanblik der bij eenige concoursen door een jury van Parissen als de Schoonste gedecreteerde Vrouw. Hoort, in welke bewoordingen ongeveer de voor al, wat ernstig schoon is zoo ontvankelijke schrijver zijn indrukken weergaf; typeerend dit tegelijk voor de wijze, waarop Albert Steffen een tijdssymptoom op een hoogst niveau — men zou kunnen zeggen, op een stevig plateau van den eeuwigen Parnassus — weet te heffen:

     "Eine seltene Schönheit war hier wirklich anwesend; nicht nur eine äussere, sondern auch eine innere Schönheit. Ganz bescheiden kam sie hinein, die noch nicht Zwanzigjahrige; ganz bescheiden, ohne dass es gespürt wurde, verschwand sie nachher wiederum aus der Gesellschaft. Eine seelische Schönheit sprach durch ihr Wesen hindurch; was eine Ausnahme ist: sie war nicht gemalt, nicht äusserlich gemalt — gemalt war sie von den guten Geistern. Wundersam berührte einen diese junge seelische Schönheit. Man konnte die Hoffnung empfinden, dass die Besitzerin dieser seelischen Schönheit beim Zunehmen der Jahre auch mit der Geistigen Schönheit in Berührung kommen darf."

                                                                                           * * *

     Ook schrijfster dezes heeft een "Hoffnung." Namelijk, dat de lezer van oordeel is, dat zij de vuurproef, waaraan de "geistige Schönheit" en de "geistige Stolz" van den edelen schrijver haar onderwierpen, eenigermate heeft bestaan en zij — desondanks en ondanks alles — eenigszins een beeld heeft kunnen geven van den grooten Zwitser Albert Steffen en den lust wekken tot een eerste of een hernieuwde kennismaking met zijn hooggestemd werk.

                                                                                                                                                                        Adelyde Content.


¹) Ten onzent – een verouderde uitdrukking die betekent: "in onze kringen"

²) "Merkwaardig" betekende niet "raar" of "bizar" maar "opmerkelijk", "bijzonder", "belangrijk" 

terug naar Artikelen