terug naar "Publikaties"

Commentaarbrieven II

COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S

VAN

RUDOLF STEINER

BIJ VOORKEUR VOOR HEN, DIE REEDS MET DEZE DRAMA'S GEWORSTELD HEBBEN

DOOR

ADELYDE CONTENT.

"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"

HET VOORSPEL -RETARDUS – GERMAN.


TWEEDE BRIEF                                                                                                                                             December 1946

Het voorspel.

Men wordt ten opzichte van de beide proza-gedeelten, die van de vier drama's-in-verzen de eerste zeven tafreelen van "Die Pforte der Einweihung" omlijsten en die als Voorspel en Tusschenspel zijn aangeduid, wel eens de houding gewaar van: nu ja, die zijn er nu eenmaal ook, dus we moeten ze aanvaarden, maar ik zou het ook zónder kunnen stellen.

We trachtten echter in den voorafgaanden Brief het er-nu-een- maal-zijn dier dialogen-in-proza reeds eenigszins te verklaren. We spraken ervan, hoe ze voor ons bewustzijn den achtergrond doen opstaan, waartegen in onze dagen de strijd van een, om een geestelijke ontwikkeling worstelend, milieu, zooals dit er te allen tijde geweest is, staat: Sophia en Estella zijn "oude vriendinnen", heet het; ze hebben tezamen "op de schoolbank gezeten". Ja, ze stammen immers beiden uit den grooten kosmos, den makrokosmos. Sophia beleven we als den waren mikrokosmos in den makrokosmos, een kleinen kosmos, ingeschakeld in den grooten kosmos. Estella echter is den kosmos vreemd geworden. Ze stamt uit (e) het gesternte (stella), maar is er tevens buiten, tegenover geraakt (deze laatste beteekenissen zitten evenzeer in e als die van: ontsproten zijn uit iets). De vriendin, die den Griekschen naam der goddelijke wijsheid draagt, Sophia, dankt die wijsheid aan het verband met het gesternte.

Anthroposophie geeft ons aan, hoe de geboorte van het materialisme daar ligt, waar de Grieksch-Romeinsche cultuurontwikkeling haar einde vond. Zeer precies is Rudolf Steiner in het nagaan en noemen van tijdstippen: pas in de jaren 1413, 1414 van de Christelijke jaartelling is het Grieksch-Romeinsche tijdperk ten einde, vangt het zinken in het materialisme aan: het einde van de 19e eeuw, 1899, beteekent ook het einde van het tijdperk van het materialisme, de aera van het spiritueel denken neemt haar aanvang. Dit wil echter niet zeggen, dat het materialisme sinds het aanbreken van de 20e eeuw ook is uitgeroeid. De aanvang van de aera van het spiritueel denken is in waarheid een groeiende strijd tegen dat, wat de spiritualiteit steeds sterker tracht te doorkruisen: de geesten van het materialisme, die om hun bestand vechten.

Dàt is het, wat zich eigenlijk bijkans een halve eeuw, sinds dat jaar 1899 – het einde van het, de menschheid opgelegde, "finstere Zeitalter' achter den sluier van het zintuigelijke afspeelt.

Toen Rudolf Steiner, slechts een decennium na de wisseling der polaire phasen van het materialisme en het spiritualisme, zijn mysterie-drama voor de nieuwe aera schiep, liet hij dit voorafgaan door een wisselgesprek tusschen de, om haar behoud vechtende, materialistische gezindheid en de spiritueele gezindheid, Estella en Sophia. Aldus in nuchtere proza-woorden van een klaar denken reëel voor den toeschouwer zettend, wat in onzen tijd uit geestelijke achtergronden speelt en voor ónzen tijd kenmerkend is voor den strijd der zielen, die hun ontwikkeling zoeken – ánders dan in de andere tijden, waarin we de personen van het drama hun incarnaties zien volbrengen.

Dat, wat Estella in voor- en tusschenspel doet hooren, mag menschen, die reeds het geluk gehad hebben, een en ander uit de aangebroken aera van het spiritueel denken, die aan haar oorsprong in Rudolf Steiner haar interpreet vond, kortzichtig en averechtsch lijken – op de juistheid van welken indruk we niet wenschen af te dingen – dat, wat zij zegt, is echter van háár standpunt juist en dus gerechtvaardigd. Van háár standpunt, hetwelk het standpunt is van den mensch die, na het Grieksch- Romeinsch tijdperkt de richting gegaan is van een steeds verder zich ontwikkelende materialistische denkwijze. Zooals álle menschen in het mysterie-drama dat, wat ze representeeren, op den hoogsten trap representeeren; voorbeelden zijn van dat, waar het element, waarin ze leven, hen bij edele menschelijkheid toe brengen kan; zoo is ook Estella in den besten zin representant van dat, wat ze voor ons zijn moet: draagster in onzen tijd van de resultaten van het door de eeuwen heen verzinken in het materialisme; van de materialistische wereldbeschouwing. Uitgerust met wat men "gezonde hersens" pleegt te noemen; wat ontwikkeling betreft iemand, die men "op de hoogte van z'n tijd" noemt, zien we

Estella voor ons als de mensch die, van nature geneigd tot een bepaalde geesteshouding, de mogelijkheden heeft, de spiritueele strooming, die er zijn wil en zooals die voor onzen tijd zich uit in de anthroposophie, te weerleggen.

In de eerste voordracht van den cyclus "Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes" noemt Rudolf Steiner deze geesteshouding het "Herstellen eines gewissen Zustandes in der Seele". En hij vervolgt: "Dieser Zustand ist derjenige, dass sich ein solcher Mensch, um sich anzuschicken, Geisteswissenschaft zu widerlegen, auf den blossen Verstandesstandpunkt, auf den blossen intellektualistischen Standpunkt stellen muss". Maar nadat dan eenige gevallen verteld zijn, waar een consequente logica – "er hat gar keinen Fehler gemacht in seinem Denken" – die op het geval werd toegepast met de werkelijkheid toch niet overeenstemde – "es erreichte das richtige Denken die Wirklichkeit nicht, denn die Wirklichkeit richtet sich eben nicht nach dem richtigen Denken" – besluit dan Rudolf Steiner: "Ich will damit nichts anderes andeuten, als dass tatsächlich unser Denken zunächst gegenüber der Wirklichkeit absolut inkompetent, nicht ausschlaggebend ist, kein richtiger Richter ist".

Aan Estella zullen we dit als waarheid overtuigend beleven. Niet door dat wat Sophia doet hooren tegenover hetgeen Estella spreekt. Dat kan Estella, zooals ze is, niet overtuigen, en hoeft ook den toeschouwer niet te overtuigen, in zooverre deze op hetzelfde standpunt staat, staan móet, als Estella. Onze sympathie kan naar Sophia uitgaan als gestalte, naar de figuur Sophia in het stuk – een begrijpen der woorden van Sophia ontstaat eerst daar, waar we het intellectueel standpunt verlaten, afstand doen van het Iouter vertrouwen op onze zintuigen en ons verstand. Wat echter boven het sympathiseeren met het begrijpen van woorden uitgaat, wat ons in het drama overtuigt, ook den Estellamensch in ons, zoodat we zoo-te-zeggen de waarde en macht der goddelijke wijsheid, der "Sophia", tegenover de menschelijke wijsheid, die een Estella spreken kan, aan den lijve ervaren – dát is het, wat de omlijsting van den inhoud der eerste zeven tafreelen door voor- en tusschenspel ten slotte voor ons beteekent.

Pas wanneer we het 7e Bild besproken zullen hebben en aan het tusschenspel toe zijn, zal dit feit volkomen voor onzen geest kunnen staan. We geven nu slechts kort aan, hoe al, wat Estella in het tusschenspel aan Sophia vertelt over het drama, dat ze is gaan zien, ons in omtrekken vaag doet denken aan het drama, dat we totnogtoe – als de bewuste 7 tafreelen – zelf hebben bijgewoond, maar hoe het met de belevenissen onzer personen niet overeenstemt, er integendeel lijnrecht mee in tegenspraak is. Estella spreekt als iemand die óók, toeziende en toehoorende, het drama heeft bijgewoond, dat wij bijwoonden, maar daar gezeten heeft als een mensch, die Iouter bij machte was, haar zintuigen, die van het zien en het hooren, te gebruiken, èn het aan de hersenen gebonden, verstandelijk denken. Ze vertelt "van buiten", wat wij "van binnen" hebben mogen medebeleven. En het gevolg is, dat haar verhaal het tegendeel is van wat er in werkelijkheid is gebeurd. Het verstandsdenken, de moderne geesteshouding, bleek

niet competent tegenover de werkelijkheid.

Als de gordijnen wijken, vinden we Sophia aan de piano, haar kinderen naast haar: een jongen en een meisje, als de beide polen, die den mikrokosmos in den makrokosmos ontspruiten. Op de korte aanduiding: "Sophia mit ihren beiden Kindern, einem Knaben und einem Mädchen", volgt zinvol: "dann Estella". Na het volledige beeld: die "Frau Sophia", de mikrokosmos, die als natuur voortbracht, waarmee we haar vereenigd zien, het manlijk en het vrouwelijk element, zal volgen Estella, de den kosmos ontzonkene.

Het is noodig, hier meteen te wijzen op het gewicht van al, wat niét gesproken wordt, maar in kleinen druk aanduidingen en verklaringen behelst. Op elke formuleering zal daarbij gelet moeten worden.

Zoo hebben we terstond ook reeds ernstig te nemen, hoe we — na de zoo juist genoemde aanduidingen — lezen: "Singen der Kinder" en, klein gedrukt tusschen haken, daar achter: Sophia begleitet auf dem Klavier. Werkelijke inleiding van het voorspel en daarmee van het geheele drama, is: het zingen der kinderen. "Die Frau Sophia" begeleidt slechts.

En hoè zingen deze, uit den gerechten mikrokosmos gesproten, beide polen?

In harmonie, onder begeleiding van hun oergrond, vangen ze aan bij — en verplaatsen daarmede den toeschouwer naar —- dat wat in de zonnesfeer zijn oorsprong neemt:

Der Sonne Licht durchflutet

Des Raumes Weiten...

Dan brengen ze ons naar de sfeer om de aarde:

Der Vögel Singen durchhallet

Der Luft Gefilde...

Vervolgens komen we met de aarde en haar wezen zelf in aanraking:

Der Pflanzen Segen entkeimet

Dem Erdenwesen...

Dan opeens, souverein zou men kunnen zeggen, na het kosmisch dalen, de kéér: het, van den mensch uit, die de bezongen stadia doorleefde en in zich betrok, terugzoeken —- in een zich-uitbreiden — van het heelal. In dankbaarheid tot den wereldgeest.

Und Menschenseelen erheben

In Dankgefühlen

Sich zu den Geistern der Welt.

Het motief van den drama-cyclus: het vinden van de brug, die aarde en hemel, zintuiglijke en bovenzinlijke wereld, den mensch en zijn goddelijk vaderland, verbindt, is hiermee in den aanvang aangeslagen.

Dan verwijst Sophia het haar ontsproten manlijk en vrouwelijk element, met wier harmoniseering het vinden van de brug naar de geestelijke wereld samenhangt, naar hun binnenkamer om in de formuleering; de woorden, die den weg inhielden van omhoog naar

omlaag en weer terug naar omhoog — de weg, die gezamenlijk "geoefend" werd — zich stil verder te verdiepen: "Und nun, Kinder, geht in eure Stube und überdenkt die Worte, die wir eben geübt haben".

Hoè daarop de situatie veranderd wordt, ligt fijn aangeduid in de nu volgende kleingedrukte tusschenbemerking: "Sophia geleitet die Kinder hinaus. Estella tritt ein". Vóór het tooneel zittend, beleven we het óók, hoe het tooneel verlaten wordt door wat, uit goddelijke wijsheid gesproten, — tweevoudig, jong, zingend — den gerechten weg den kosmos in, vormt, en hoe daarvoor in de plaats treedt het element, dat in afgeslotenheid, berooid, zich op aarde bevindt.

Nu volgt de wederzijdsche begroeting, doodgewone woorden. Zóó gewoon, dat men ze conventioneel zou kunnen noemen. Maar dat is het karakteristieke van een mysterie-gedicht: dat het vervat is in een taal, die voor elken toehoorder gangbare taal is, ook voor hem, dien men het allermeest als behoorend tot "de buitenwereld" kan beschouwen. Deze hoeft niets te hooren, wat voor hem niét "doodgewoon" is. Maar diezelfde woorden, die de buitenwacht niets-hoegenaamd hoeven te zeggen, kunnen voor hem, wiens oor, van een innerlijke ontwikkeling van den mensch uit, tot breeder, dieper, rijker opname in staat is geraakt, geheimenissen ont- hullen. De taal van een mysterie-gedicht is een tweesnijdend zwaard, het slaat uit naar twee kanten, naar buiten en naar binnen. Het hangt van ieders ontwikkeling af, wàt het woord van het mysterie-gedicht hem te zeggen heeft. Mèt den groei van de eigen ontwikkeling groeit hem uit dat woord iets ánders tegemoet, openbaart zich hem het woord.

Als Estella binnengetreden is daar, waar zoo juist iets bepaalds had plaats gevonden, waar Sophia de stemmen der kinderen die zongen van den weg naar de aarde en terug naar den hemel, begeleidde, is het méér dan een beleefdheidsphrase, wanneer Estella er hier toe komt uit te spreken: "Ich störe dich doch nicht?"

En wanneer Sophia antwoordt: "Nein, meine gute Estella. Sei mir herzlich willkommen", kan men daar het vriendelijke antwoord van een welmeenende, lieve vriendin in hooren, maar tegeliik hoort hij, die de situatie dieper weet te peilen, er reeds de aanwiizing in van wat verder in dezen dialoog en in dien van het tusschenspel blijken zal: het is niét Sophia, die zich van de vriendin uit de kinderjaren, uit den tijd dat ze nog beiden kosmisch-verbonden waren, wenscht af te wenden Estella bliift haar "herzlich willkommen". We hooren, hoe zij niét door Estella zich gestoord voelt daar, waar haar ziel zich "in Dankgefühlen zu den Geistern der Welt" verhief. Ze wendt zich met een volkomen welkom tot Estella, waarbij het — kleingedrukt dus beteekenisvol — heet: "Fordert Estella zum Sitzen auf und setzt sich selbst". Een uitnoodiging, den hooqmoed te laten varen, den hoogmoed van den mensch, die, in zelfbewust vertrouwen op de zintuigen en het verstand, zich den kosmos trachtte te ontvoogden, hooren we uit die woorden en bij de laatste woorden: "setzt sich selbst", zien we Sophia als het ware zich uit het "sich erheben zu den Geistern der Welt" naar de aarde neigen en zich volkomen overgeven aan de vriendin zooals die werd en is: aardgebondene. Sophia neigt zich naar het standpunt van Estella, nivelleert zich in overgave. Maar verliest zich niet.

Dan volgt een korte wisseling van vraag en antwoord, waarin inderdaad de vragen van Estella de conventioneele vragen zijn, zooals een vrouw, die in de wereld verkeert en zich gaarne op de hoogte houdt van de wederwaardigheden van haar vrienden, die stelt aan een vriendin: "Hast du gute Nachrichten von deinem Manne?" En later: "Nicht wahr, er hat doch vor, selbst über ein wichtiges Thema zu sprechen?" Deze tweede vraag is als het ware reeds een afbreken van Sophia's antwoord op de eerste vraag. Sophia met háár wezen immers kan niét slechts conventioneel een antwoord geven Iouter op de door de vriendin gestelde vragen, Zij ontrukt zich aan het persoonlijke, antwoordt met wat haar man op het psychologencongres opmerkt.

We zouden hier kunnen zeggen: uit de ervaring kent een ieder, die zich uit een zekere verbondenheid met den kosmos in anthroposophisch streven bevindt, een houding zooals Estella die bij Sophia's antwoord aanneemt. Doordat men onwillekeurig diepere gronden tracht op te sporen, meent de vrager als hij een Estellamensch is, dat men hem met de eigen zienswijze, die der anthroposophie — die hij niet hooren wil, niet hooren kán — wenscht te naderen. En hij weet niet beter te doen, dan afleidend met een andere vraag te komen.

Maar, alweer uit het wezen, dat nu eenmaal het hare is, kan ook hier Sophia niet anders antwoorden dan met iets, wat door Estella-ooren slechts als verkondiging van een wereldbeschouwing gehoord kan worden. En ook dit kennen we: hoe de Estella-mensch teqenover ons dan tot slot niet anders weet dan het onderwerp af te breken, het over een gansch anderen boeg te gooien. Estella: "Es führt mich ein Wunsch zu dir, meine liebe Sophie. Könnten wir diesen Abend nicht gemeinsam verbringen? Es ist heute die Aufführung der "Enterbten des Leibes und der Seele" und du könntest mir keine grössere Freude machen, als wenn du mit mir zusammen die Vorstellung besuchen wolltest."

Men hoore de avondstemming, de ondergangsstemming in de woorden van Estella. Een tijdperk gaat onder, moét ondergaan, het tijdperk van den Estella-mensch, wat ten slotte het tijdperk is van de "Enterbten des Leibes und der Seele". Dezen avond zou Estella het 'liefst genieten — luciferisch genieten — met de haar in oorsprong verbonden ziel, die ze — luciferisch — terug zou willen houden, die zich echter vrijgeworsteld heeft, niét een "Enterbte" is.

Sophia moet wijzen op de opvoering van haar eigen "Gesellschaft", waarvoor men zich zoo lang heeft voorbereid. Over die opvoering wordt verder in het drama nergens meer gesproken. Uit de beschrijving door Estella, in het tusschenspel, van de opvoering zooals zij die heeft bijgewoond en waarvan we aangaven, hoe die den buitenkant geeft van wat wij, in de komende zeven tafreelen, als spel van den binnenkant zullen beleven, kunnen we opmaken, wàt die opvoering is, die Sophia bij háár "Gesellschaft" gaat bijwonen. Het is het spel van den binnenkant, het spel van dat, wat men alleen gewaarwordt als men "zich lang heeft voor- bereid" om meer gewaar te worden dan wat de zintuigen en het aan de hersens gebonden verstand jemand kunnen overleveren. Het zijn de 7 tafreelen van ons eigen mysterie-drama "Die Pforte der Einweihung", door Rudolf Steiner oorspronkelijk den Sophiamenschen, den naar her-inschakeling in het kosmisch verband strevenden zijner Anthroposophischen Gesellschaft, openbarend geschonken.

Karakteristiek, als tégen dit omhoògstreven ter her-inschakeling in den kosmos gericht, zijn de woorden, waarmee Estella, spijtig, reageert: "Ich freute mich von ganzem Herzen, an deiner Seite in die tiefen Untergründe unseres gegenwärtigen Lebens zu schauen". Aan Estella is onbekend — en kàn niet anders dan onbekend zijn — dat de mate van het omlaagschouwen in ondergronden afhankelijk is van de mate der mogelijkheid, omhóóg te zien. Heel den dialoog door is het duidelijk, wàt Estella eigenlijk wraakt aan Sophia, wàt ze niet verduren kan: dat Sophia haar omhóóg ontglipt. Waarheen ze haar niet volgen kan. Tezamen hebben ze "op de schoolbank gezeten". Deze uit het geestelijk vaderland naar de aarde gedaalde zielen hebben beiden op en aan de aarde geleerd. Estella noemt het een haar, Estella, vreemde ideeënwereld, die den band vernielt, die hun harten verbindt. Zij, die niet zich aan de aarde ontworstelen kan, kan in de waarhedeh over den geest, die de andere ziel bevatten kon en die haar aan den greep der aarde ontrukten, geen realiteiten zien, maar slechts ideeën.

Op Estella's vrees, dat de band tusschen hen vernield zal worden, getuigt Sophia van de gevoelens, die hen door de tezamen geleefde jeugd verbinden en die uitgaan bóven hun niet overeenstemmende meeningen. Daarmede in eenvoud aangevend, hoe dat, wat scheidt, op aarde ligt, door dit aardeleven bewerkt wordt — hoe aan hun oorsprong, in hun jeugd, de zielen der menschen verbonden waren en blijven.

Sophia, schijnt het, kan echter Estella niet troosten. De laatste oppert steeds weer tegen-argumenten. In waarheid echter is en blijft het de machteloos-aardgebonden ziel van Estella, die het omhoogvluchten van de zusterziel niet verdraagt. Dit komt zoo helder naar voren als, op Sophia's: "Wir könnten einander eben dadurch viel sein, dass wir uns gegenseitig gelten liessen in dem, wozu unsere verschiedenen Anlagen uns geführt", Estella eerst toegeeft, dat zij zich dikwijls door haar verstánd laat zeggen, dat Sophia daarin gelijk heeft, maar meteen koppig Iaat volgen: "… und doch ist etwas in mir, was sich auflehnt gegen die Art, wie du das Leben betrachtest". Waarop Sophia eindelijk de waarheid formuleert: "Gib dir doch ernstlich einmal zu, dass du damit eigentlich von mir die Verleugnung meines innersten Wesenskernes verlangst".

En dan komt, als men de formuleering maar ernstig neemt, haars ondanks de waarheid ook uit Estella naar buiten: "…. wenn nur Eines nicht wäre. Ich kann mir ganz gut denken, dass Menschen verschiedener Vorstellungsarten sich in völliger Sympathie der Gefühle begegnen. Deine Ideen-Richtung leqt dir aber förmlich die innere Verpflichtung zu einer gewissen Überhebung auf". D.w.z.: van menschen, wezens op aarde, zooals Estella ze zich voorstelt, aardgebonden, kan zij zich indenken, dat ze zich, op de áárde, verschillende standpunten kiezen, daardoor zich de dingen verschillend kunnen voorstellen, terwijl de sympathie der gevoelens daarvan geen verandering behoeft te ondergaan. De richting echter der ideeën van Sophia verplicht deze, volgens Estella, innerlijk tot een zekere zelfverheffing. De richting het zich-verheffen van Sophia, dáárvan moet de op haar aarde-zinnen bouwende Estella zeggen: "wenn nur Eines nicht wäre!" En zij gaat voort: "Andere Menschen können ganz gut so zueinander stehen, dass sie von ihren Ansichten denken, diese seien durch verschiedene mögliche Standpunkte bedingt und stehen als gleichberechtigt neben einander". Men ziet het: menschen, aarde-menschen, die zoo tot elkaar staan, dat ze gelijkberechtiqd naast elkaar staan, dát is het gezichtspunt, waaronder Estella, waaronder de mensch, die het ondergaand tijdperk van het Iouter intellectueele te redden tracht tegen dat van het spiritueele, de menschheid wenscht te zien. Dat, wat zich uit het vlakke verheft en vanuit het hoogere de diepte kan inzien, is het, wat niet verstaan en daardoor niet verdragen kan worden. Estella: "Deine Anschauung (het "Anschauen" van het hoogere) aber gibt sich allen anderen gegenüber als die tiefere. Sie sieht in den andern nur Ausflüsse eines untergeordneten menschlichen Entwicklungsgrades".

Rudolf Steiner, zoowel de prae's als de zwakheden kennend der menschen die zich voor de nieuwe geestesrichting verklaarden — het was 1910, toen "Die Pforte der Einweihung" ontstond. Rudolf Steiner trachtte in dien tijd nog, 'binnen de toenmalige Theosophische Vereeniging wegwijzer te zijn — laat Sophia opmerkzaam maken: ......"wenn wir auch unsere Ideen, als diejenigen betrachten, ohne deren lebendige Erfassung alles andere Leben ohne rechten Grund ist, so bemühen wir uns doch so ernstlich als möglich, den Menschen deshalb nicht zu überschätzen, weil er sich zum Werkzeug gerade unseres Lebensinhaltes machen darf". Levensreëel was steeds het woord van Rudolf Steiner, ook dat voor en over zijn volgelingen.

Omdat echter in Estella, de eenzame in het heelal, iets niet mééklinkt, kan ze slechts opmerken, dat "das alles schön gesprochen scheint". Maar dat een argwaan blijft. En die argwaan betreft weer de "unbedingte Tiefe" der wereldbeschouwing van Sophia en de haren; die diepte, die voor Estella slechts een "vorgetäuschte" diepte zijn kan, omdat het evenrediq hoogtepunt voor haar geen realiteit is, die ze bereiken kan. Estella's eigen onmacht tot perspectief doet haar voor de geestverwanten der vriendin oppervlakkigheid vreezen. Twee categorieën noemt zij: hen, die boven het ware oppervlak, den aardbodem, zweven in "geistiger Hochmut" èn die er ónder dalen, "stumpf und gefühllos". De door Lucifer gegrepenen de eerste categorie, de tweede gegrepen door Ahriman.

Zooals echter, de mysterie-drama's dóór, elk die spreekt waarheid spreekt, eventueel boven het bewustzijn van den sprekende uit — al is het ook vaak een eenzijdige waarheid, bepaald door het standpunt van den spreker — zoo laat ook Estella de verwijzing naar deze categorieën, waarvan ze gevoelt, dat die eigenlijk niets met haar "viel zu lieben Freundin" zelf te maken hebben, volgen door een uitspraak over de persoon van Sophia, die een elastisch beschrijden van het aardoppervlak zelve, een Christelijk met-de- aarde-in-wisselwerking-treden als beeld oproept: "Deine grosse Seele hat sich ja doch niemals dem entziehen können, was das tägliche Leben nun einmal von jedem Menschen verlangt, der im echten Sinne als ein guter bezeichnet werden muss". Wederom echter volgt dan tot slot een "maar: "Doch gerade, dass du mich heute allein lässt, da, wo echtes, künstlerisches Leben spricht, das zeigt mir auch an dir, dass eure Ideen doch gegenüber diesem Leben — verzeihe das Wort — eine gewisse Oberflächlichkeit erzeugen". Niet médegaan met haar, die meende, in het stuk der ,Enterbten' mét Sophia de diepten des levens in te zullen gaan — Estella beleeft het als iets, wat getuigt van een oppervlakkigheid tegenover het leven, welke gewekt is door de ideeën van Sophia.

En als dan Sophia vraagt, waar die oppervlakkigheid ligt, begint Estella eerst zichzelve te beschriiven als een mensch, in wie we inderdaad herkennen de geesteshouding van onzen tijd, een exemplaar dier menschheid, die — men vergelijke den aanvang van dezen brief — sinds het begin van de 15e eeuw de bewustzijnsziel te ontwikkelen had en deze taak begon onder een strooming, die een zinken in het materialisme beteekende. Het beste echter, waartoe men komen kan, wanneer men — kind van z'n tijd in den ouden zin en niet grijpend de mogelijkheden van de, met het einde der 19e eeuw aangebroken, nieuwe aera — in de wereld staat met een gaaf verstand en gave zinnen: zóó verschijnt ons Estella in haar eigen beschrijving. Men hóóre dezen mensch uit de nieuw-ingetreden phase van den strijd om de bewustzijnsziel: "Du solltest doch wissen, da du mich so lange kennst, wie ich mich losgerungen von einer Lebensart, die von Tag zu Tag nur jagt nach dem, was Herkommen und banale Meinungen vorschreiben. Ich habe gesucht, kennen zu lernen, warum so viele Menschen anscheinend unverdient leiden müssen. Ich bestrebte mich, den Niederungen und den Höhen des Lebens nahe zu treten. Ich habe auch die Wissenschaften, so weit sie mir zugänglich sind, befragt, um allerlei Aufschlüsse zu erlangen". Het is de werking van de bewustzijnsziel, die doet losbreken uit de conventie, die vraagt naar de oorzaak van schijnbaar onverdiend leed, die dringt naar de "Niederungen und Höhen des Lebens", die de wetenschappen om uitsluitsel vraagt. Het is de onmacht echter tot een spiritueel denken, die de bewustzijnsziel belemmert zich te ontwikkelen zóó, dat ze erkennen kan, dat het lijden der menschen slechts "anscheinend unverdient", niet zelfverdiend is; die niet anders toelaat dan een streven, "den Niederungen und Höhen des Lebens nahe zu
treten
", belet het doordringen tot in afgronden en tot dat wat boven de hoogten des levens ligt, tot het bovenaardsche, waar de oergronden der afgronden berusten. Het is ook de onmacht tot een spiritueel denken, die oplossingen verwacht van een ondervragen der wetenschappen, staan blijft bij dat, wat de door de materialistische strooming gegrepen natuurwetenschappen ons kunnen zeggen.
Maar dat, waardoor Sophia, in de weldra volgende strophe, de mogelijkheid krijgt, zonder voorbehoud te formuleeren, wáár in waarheid het geschil en het verschil tusschen hen ligt en daarmede tevens den luisterenden toehoorders de vruchtbaarheid van een spiritueel denken te doen ervaren, is gegeven door dat, wat Estella als haar denkbeelden over kunst, echte kunst te berde brengt. "Die Enterbten des Leibes und der Seele" zouden dien avond Sophia met haar in aanraking gebracht hebben met die "echte kunst", die "het wezen van het leven grijpt en de ware, de hoogere werkelijkheid voor onze ziel stelt". Dat, waar Sophia voor dien avond de voorkeur aan geeft, is volgens Estella "die abgetane lehrhalt-allegorische Art, welche puppenhafte Schemen statt lebendiger Menschen betrachtet und sinnbildliche Vorgänge bewundert, die fern stehen allem, was im Leben täglich an unser Mitleid, an unsere tätige Anteilnahme sich wendet".

Zij, die Rudolf Steiners leven en werken kennen, weten hoe hij reeds in jongere jaren dat, waar hij aan kon knoopen met hetgeen hij te brengen had, gevonden heeft in Goethe's aanschouwingswijze. Voortbouwend, heeft hij Goethe's denkbeelden in woord en geschrift verantwoord en uitgebreid, ze vooral ook op het gebied der kunst vruchtbaar uitgewerkt. Tot in zijn Goetheanum toe, zooals het in zijn eersten vorm een kort aantal jaren op den Jura-rug bij Dornach stond, heeft hij ze in het groot en tot in détails verwezenlijkt. Sophia spreekt het zoo kort maar scherp uit in haar antwoord aan Estella, wáár de oorsprong ligt van een ware, vruchtbare kunst: "Du willst nicht einsehen, wie der Gedanke in den schaffenden Geist taucht, an des Daseins Urquell rührt und sich entpuppt als der schöpferische Keim selbst". Niet het Iouter afbeelden der werkelijkheid, ook niet het idealiseeren van de werkelijkheid schenken een ware kunst. De idee in den kunstenaar, zich invoegend in de stof, de stof grijpend, doordringend en omvormend tot een hooger orde, aldus vanaf het punt, tot waar de natuur de stof, het materiële leven, bracht, het voortzettend en vervolmakend, dàt is voor Sophia de scheppende idee, die een ware, dus vruchtbare kunst schenkt.

Wanneer we, nà het 7e tafreel, het tusschenspel genaderd zullen zijn, zal het de tijd zijn, aan het doorgewerkt stuk drama zelf in zijn verhouding tot de door Estella verhaalde belevenissen aan het door háár bijgewoonde stuk – het uiterlijk hulsel van óns drama – de waarheid, en daarmede de vruchtbaarheid, der aanschouwingswijze van Sophia, waar het kunst betreft, te demonstreeren. Halen we hier nog slechts haar slotwoorden aan: "Denn es wird kein Hunger gestillt, keine Träne getrocknet, kein Quell der Verkommenheit geschaut, wenn man bloss die Aussenseite des Hungers, der tränenvollen Gesichter, der verkommenen Menschen auf den Brettern zeigt. Wie das gewöhnlich gezeigt wird, steht den wahren Tiefen des Lebens und den Zusammenhängen der Wesenheiten unsäglich ferne".

Van lijf en ziel onterfden werden voor Estella de personen, wier geestelijke strijd en – na een noodzakelijken schijnbaren onder gang – geestelijke hergeboorte de Sophia-in-ons in 7 tafreelen heeft meedoorleefd. Hoogere wijsheid, een spiritueel zich-open-stellen, is in staat, de ware diepten des levens en de onderlinge samenhangen der wezens te naderen.

Maar Estella, zelve een Enterbte, kan niet verstaan, waarvan Sophia haar spreekt. Omdat ze Sophia slechts van buitenaf toehooren kan, moet ze haar kenschetsen als iemand, die "liever in fantasieën zwelgen wil dan de waarheid van het leven zien": "Auf diesen Wegen gehen wir ja doch auseinander".

In dit voorspel zijn inderdaad de wegen gekarakteriseerd, waarop de, uit de gezamenlijke "Sternenheimat" gesprotenen, uiteenwijken. De avondstemming blijft liggen over 'het geheele voorspel. De donkere aera – "das finstere Zeitalter" – móet maar kan niet sterven. Verzuchten móet tot slot de Estella-mensch: "Ich muss heute Abend auf meine Freundin verzichten". Maar een hoop blijft – uit den ouden, gezamenlijken oorsprong. Estella:

"Jetzt muss ich dich verlassen; ich denke, wir bleiben doch die alten Freundinnen".

Sophia: "Wir müssen es wirklich bleiben'.

En terwijl deze laatste woorden gesproken worden, geleidt Sophia de vriendin naar de deur. Wat zeggen wil: Sophia begeleidt Estella tot de grens, waar ze haar alleen moet laten gaan. Wij volgen die beweging, doen mèt Sophia de onmacht tegenover de aangebroken aera, de onmacht tot spiritualiteit, uitgeleide. Sophia's metgezellen voor dezen avond zijn wij, die de 7 tafereelen gaan meemaken, waarin de held van het drama den geest beërft.

***

Na het verschijnen van den eersten Commentaarbrief leverde de georiënteerde tooneelspeler en régisseur, die bii de opvoeringen der drama's onder Rudolf Steiner zelven in München van den beginne af de Strader-rol vervuld heeft, en dus allerlei aan den oorsprong heeft meegemaakt, een schrijven in onder het opschrift: Een vraag. Dit naar aanleiding van de door mij aangegeven twaalf karmisch om Johannes Thomasius heen geïncarneerden. "Dr. Steiner zeide ons", aldus de schrijver, "dat de 12 met Johannes Thomasius karmisch verbondenen overeenkomstig hun wezen en hun saamhoorigheid in het slottafereel in den tempel juist zijn gerangschikt. German was niet daarbij! – Ze stonden toentertijd aldus......" En dan is de régisseur zoo goed, een schema te geven van de personen in den tempel. Hetwelk, naar me lijkt, niet bijzonder afwijkt van het bij de opvoeringen nog hedentendage verschijnende tempelbeeld.

Hoewel onder den brief goedbedoeld staat, dat een antwoord niet noodig is, de schrijver me dit slechts zéggen wilde, wil ik toch gaarne even op dit punt ingaan. Het biedt tevens een welkome overgang naar den volgenden Commentaarbrief, waarin we nu zullen moeten aanvangen, de personen – het heele eerste bedrijf is Iouter hun aller zelfkarakteristiek – te bespreken.

De Zonnetempel in het laatste bedrijf biedt ons inderdaad een beeld, waar, een kruis vormend, we de tempelbroeders de plaats aan hun zuil zien innemen: de groote broeder Benedictus; Benedictus' broeders: hij, door wien in den tempel zich de Geest der Liefde openbaren kan, Theodosius; hij, door wien zich aldaar de Geest der wilskracht openbaren kan, Romanus; en....niét hij, door wien zich —- zie de lijst der dramatis personae —- als derden Benedictusbroeder de Geest van het aardebrein openbaren kan, niet German. Aan de vierde zuil, waar we hem zouden kunnen verwachten, staat Retardus. "Slechts als geest werkzaam", heette het van hem in de personenlijst. Louter in den tempel kan hij zijn aanzijn en wezen toonen. Hij is de onzichtbare retardeerende kracht in de menschheid, die sinds het begin der aarde (zie Retardus' woorden in het 5e bedrijf) —- men kan ook zeggen: sinds de aarde-verdichting — zijn macht begon te ontvouwen. Zijn aangrijpingspunten wisselden naar de wijze van ontwikkeling der menschheid. Mét de neiging, vooral sinds het midden der vorige eeuw, zich geheel aan het vernuft en de zintuigen toe te vertrouwen, vond Retardus in deze het middel bij uitstek, den mensch vast te zetten, hem vangend in de overtuiging, dat bóven die vermogens niets uitging (ook aan de ouden was die retardeerende macht bekend, die in hen echter weer andere aangrijpingspunten zocht, meer in het algemeen op terughouden van de ontwikkeling van het menschengeslacht uit was; zij noemden hem met den Griekschen naam: Eryx; van erukein, wat "tegenhouden" beteekent).

We zien dan ook, hoe in den Zonnetempel in ónzen tijd Retardus speciaal professor Capesius en Dr. Strader toespreekt en ze verwijt, de gaven, die hij ze bood: de macht tot ideeën en tot het strenge denken, niet gebruikt te hebben, niet volbracht te hebben wat hij van ze verwacht had. Ze zijn hem ontglipt. Door en met hem ontglippen Retardus Johannes en Maria. Het zijn de Capesius- en Straderkrachten, in welke Retardus-Eryx den held van het mysterie-drama van onzen tijd in zijn macht tracht te krijgen. D.w.z.: heel het werk, dat in dezen tijd door Johannes c.s. volbracht moet worden ten behoeve van de menschheid —— Retardus taak was het krachtens zijn wezen, het op te houden. Omdat slechts tegen weerstand in wezenlijk geboren wordt.

Als dat, wat Johannes beleven kan en wat wij dus mèt hem aanschouwen mogen, nog niet een Zonnetempel is, maar een "unterirdischer Felsentempel'' (5. Bild), waar bij het wijken van het doek evenzoo Benedictus in het Oosten staat, Romanus in het Westen, Theodosius in het Zuiden en Retardus in het Noorden, spreekt Benedictus zonder uitzondering deze allen aan, die hun plaats in den tempel innemen:

Die ihr Gefährten mir geworden

Im Reich des ewig Seienden...

Bij hun weerklank geven zoowel Theodosius als Romanus aan, dat door hen slechts een "kracht" spreekt, hun woorden niet openbaring van het eigen wezen zijn. Retardus echter, die slechts "als geest werkzaam is, geeft als eigenwezen aan, in welken zin hij "Gefährte" van Benedictus is:

Ihr musstet seit dem Erdbeginn

In Eurer Mitte mich ertragen —

Sinds de verdichting van deze planeet tot aarde, is de Vertraging werkzame kracht.

Maar Romanus doet van zijn kant weerklinken:

Wir mussten seit dem Erdbeginn

In unsrer Mitte dich ertragen.

Doch ist die Zeit nun abgelaufen,

Die deinem Wirken zugemessen...

Van het offer van enkele menschen, die tot dan toe hingen aan het geloof, dat

Seherkräfte von Vernunft

Getrennt sich halten sollten,

hangt het bestaan van Retardus, hangt heel de toekomst van den tempel af, van het tempelwerk, d.i. het werk voor de schrede vooruit der menschheid. Romanus :

Sie werden zu dir sprechen

Von Früchten, die aus deiner Kraft

In Menschenseelen reifen müssen.

Als dan een paar bladzijden verder, nadat die menschen, die nu erkend hebben

Wozu Vernunft die Menschen führt,

Wenn sie vom Schauen abgesondert

In Weltentiefen sich verirrt

drie maal aangesproken zijn, door Benedictus, door Theodosius en

door Romanus, met

Wenn ihr euch eint mit uns...

is de weerklank van Retardus ten slotte:

Wenn sie sich mit euch einen,

Was soll mit mir geschehen!...

Waarop de leider van den tempel, Benedictus, volgen doet:

Du wirst zu andrem Sein dich wandeln,

Da du dein Werk getan.

Als Johannes aan het slot van dit 5e tafreel in zelfbezinning constateert, wát hem als tempelbeeld gedaagd is, heet het over dezen vierden der "Brüder im Tempel", Retardus:

Der vierte ist mir unbekannt.

De verschijningsvorm van Retardus is Johannes onbekend.

Wat wil dit alles zeggen? Dat in Johannes omgeving in dit leven geen plaats meer was voor een mensch, die door Ievens heen zou zijn voorbereid, retardeerende kracht te worden, Retardus te spiegelen, om in deze incarnatie in Johannes' kring een taak te vervullen. De andere broeders kent hij als menschen op aarde, in zwakke afspiegeling van wat ze in den tempel te zien geven. De "Geist der Hemmung" grijpt, zoolang Johannes hem nog niet reddeloos is verloren gegaan, slechts de beide intellectueele polen Capesius en Strader aan om via hen z'n laatste troeven op Johannes (en Maria) uit te spelen. Het is het mislukken van deze troeven, doordat genoemde enkelen hun wezen met den tempel verbinden, wat Retardus ten slotte in den onderaardschen tempel radeloos vragen doet:

"Was soll mit mir geschehen?" We hoorden het positieve antwoord van den tempelleider:

Du wirst zu andrem Sein dich wandeln,

Da du dein Werk getan.

Waarop o.a. Theodosius:

Du wirst in Opfern weiterleben,

Wenn du dich selber opferst.

Men herinnert zich hierbij de noodzaak voor de slang in Goethe's Märchen, zich te offeren.

De retardeerende kracht van het eenzijdige vernuft kan slechts overwonnen worden, wanneer het zich als eenzijdigheid offert, zich verbindend met "Seherkräfte", met "Schauen" (zie boven). Zóó metamorphoseert zich de Retardus-kracht tot een ander zijn: tot het wezen van German, van den Germaan. Van dat volk, van hetwelk, hoe het zich ook wentelt en naar buiten keert, het woord van Rudolf Steiner staat, dat het "das Material zum 5. Kulturzeitraum hergeben soll" (cycl. "Okkulte Geschichte"). Pas waar Retardus overwonnen is, begint de taak voor den Germaan: het intellect te verlossen door het schouwen, taak van het 5e cultuur-tijdperk. In den tempel blijft echter de plaats aan de zuil, waar Retardus stond, in de volgende drama's nog ledig.

Zij, die in de drama's thuis zijn, mogen zich herinneren, hoe nà het eerste drama, waarin ten slotte Retardus overwonnen wordt en daarna dan ook niet meer voorkomt, zelfs de naam "German" niet meer verschijnt. Maar dit "niet meer" wil zeggen: nog niet. Opgaaf pas van het 5e cultuurtijdperk is de Germaan-in-den-waren-zin. In de verdere drama's heet de Geest, die als Retardus werkte en tot German worden moet, slechts de Magnus Bellicosus, de Groote Strijder (om zichzelf).

Rudolf Steiner geeft eigenlijk zelf aan — in de Berlijnsche voordracht van 1910 — in welken zin de naam German wèl gebruikt wordt in het eerste drama. In het 1 e bedrijf als de mensch, in wien het aardebrein zich spiegelen kan. D.w.z.: door wien, als instrument, de aardewil zich uitdrukken kan. En die aardewil is: het waarachtig-Germaansche "German". Maar deze German uit het 1 e bedrijf is slechts een zwakke afspiegeling. In het 5e Bild beleven we German in de elementaire wereld, dus niet in de beperking der aardsche verschijning. Daar zien we hem, machtiger, een bepaald "Handwerk üben", n.l. in het groot toonen, als "Erdgehirn", wat in het klein door een menschenbrein, onbewust, spoken kan. De trait-d'union tusschen den German op het physieke plan en die in de wereld der elementen, waar de "Geist der Erdgehirns" zich onbelemmerder in zijn wezen openbaren kan, is de spot, de ironie. Rudolf Steiner t.a.p, wanneer men goed leest: er leeft een kleine geest in ons brein, die allerlei kan uitdenken, de mensch weet dikwijls zelf niet, wat hij eigenlijk beweert. Dat weerspiegelt zich echter in het "Riesen-Erd-Gehirn". En: "dat moet zich dan weer afspiegelen". Het spiegelt zich in een mensch als German, dien Johannes heeft hooren zeggen:

... Das Geisteslicht sei wie von selber

In sein Gehirn gedrungem

(Eind 6. Bild).

Vandaar dat Rudolf Steiner na "Das muss sich auch abspiegeln" laat volgen: "Daher jene Beziehung, die besteht zwischen German, der auf dem physischen Plan erscheint und dann als Geist des Erdgehirns". In het eerste bedrijf immers herinnert German aan wat hij dikwijls gezegd heeft: dat hij "die Schnurren liebte".

In feite is het dus zoo, dat daar, waar — alleen in het eerste drama — van "German" wordt gesproken, we te doen hebben, in het 6e Bild, met iets van het te verwerkelijken oerbeeld van den Germaan, zooals dat in de aardewil — het aardebrein — ligt; en, in het 1e Bild, met de nog maar zwakke afspiegeling in een, door zijn wezen als instrument voor de aardewil openstaanden, mensch. Waar Retardus aanwezig is, kan de aardewil zich nog niet verwerkelijken, German zelfs nog niet als de Magnus Bellicosus aanwezig zijn. In het slotbeeld van het 3e drama, in den tempel, spreekt Hilarius Joh. Thomasius aan en geeft hem zijn ambt over; Theodosius het zijne onder den naam Torquatus aan Capesius; Romanus zijn ambt onder den naam Trautmann aan Strader. De Groote Strijder, die in den tempel door den mensch German spreekt, hééft nog geen ambt af te geven, hij "spreekt tot Hilarius én Benedictus en wendt zich buitendien dikwijls tot Felix Balde en Frau Balde". De krachten van alle dezen moeten door den kleinen German nog gezocht worden om den strijd tot verwerkelijking van den Grooten Germaan te volbrengen.

Een voller licht op German zal pas kunnen vallen, als we het wezen van Capesius en Strade doorschouwd zullen hebben. We zullen hem leeren zien als de hoogere synthese van deze twee: van dat, wat Capesius representeert als culminatie van wat het Griekendom heeft ingeleid, Strader van dat wat het Romeinendom inaugureerde. Naar welke synthese in het drama, d.w.z. in ónze tijd, gestreefd wordt.

En hiermede is voor deze keer vervuld, wat in een eerste aankondiging dezer Commentaren op de drama's was aangezegd: dat ook de gevorderden hun deel zouden krijgen en er van tijd tot tijd in de drama's vooruitgegrepen zal worden.

____________________________


terug naar "Publikaties"