terug naar "Publikaties"


Commentaarbrieven III

COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S

VAN

RUDOLF STEINER

BIJ VOORKEUR VOOR HEN, DIE REEDS MET DEZE DRAMA'S GEWORSTELD HEBBEN

DOOR

ADELYDE CONTENT.

"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"

IN AANSLUITING AAN HET EERSTE BEDRIJF - CAPESIUS EN STRADER


DERDE BRIEF.                                                                                                                                              Januari 1947

Naar het eerste bedrijf zal men, de drama's dóór, altijd en altijd weer moeten teruggrijpen. We hebben er met het, misschien voornaamste, esoterische moment uit de drama's te doen.

Een mysterie-gedicht begint met een belevenis aan den drempel. Dat, wat men het roman-niveau van den aardemensch zou kunnen noemen, heeft de held overwonnen, achter zich. D.w.z. de inwijding in het aardsche leven, die ook een inwijding dóór het leven zou kunnen heeten, heeft hij dóórgemaakt; naar "Erkenntnis" strevend, door beproevingen gelouterd, heeft hij zijn aardsche boeien losgewrongen. Hij is tot aan de grenzen genaderd, waar het aardsche en buitenaardsche elkaar raken. De laatste bevrijdingspoging uit het zintuigelijke beteekent tegelijk geleidelijke intrede in het bovenzinlijke.

Met een strijd aan deze grens, met deze poging tot overwinnen van het laatste, dat aan de aarde tracht te boeien, vangt elk mysterie-gedicht aan. Belevenissen aan den drempel, "an der Schwelle".

Het einde van een tijd van voorbereiding beteekenen deze drempelwederwaardigheden. Met alle tegenstelling, die tusschen vóór- en na-Christelijke mysterie-inwijdingen bestaat, loopt toch een draad door de esoterische scholing van alle tijden heen. Als de Odyssea, het epos of inwijdingsgedicht van het Griekendom, aanvangt, heeft de held Odysseus na tien jaren strijd om het bolwerk der oude, met den hemel verbonden, cultuur: Troja, deze burcht geslecht, daarmede de mogelijkheid veroverd eener nieuwe, naar de aarde verwezen, phase. Hij zwerft dan huiswaarts, naar het land van zijn hoogste zielekrachten, het land van Penelope. Reeds zeven jaren, heet het, verblijft hij bij de nimf Kalypso, de – nog lagere – geesteskracht[2], die de ware geestelijke wereld blijft toedekken (Grieksch kaluptein). Zijn verblijf op haar eiland is een voorbereiding, vóór hij in de onderwereld af kan dalen. De onderwereld: het rijk, waar de niet-ingewijde ziel pas bij het einde van haar leven ingaat.

Het eerste boek van het epos van het Romeinendom, de Aeneis, hetwelk is als de inleiding tot het geheel, klinkt uit in een opwekking van koningin Dido tot den schipbreukeling Aeneis, dien zij in haar domein opneemt, dat hij zijn lotgevallen en omzwervingen moge verhalen:

…..Want U draagt reeds ten zevenden male,

Over alle landen zwervend en zeeën, een zomer.

Als het mysterie-drama van ónzen tijd aanvangt, spreekt de geestelijke leidster van "den held" Johannes Thomasius, Maria, over "das schöne Band, das zehen zehn Jahre uns vereint".

Vóór tien jaren had Johannes Maria, de naaste leerling van den geestesvorscher Benedictus, leeren kennen. Naast Maria, onder haar leiding, had hij tien jaren lang een voorbereidende geestelijke ontwikkeling nagestreefd, die ten slotte tot een bevrijding zijner aardsche persoonlijkheid voeren kon.

Als het drama begint, staat Johannes daar, waar hij den sprong wagen moet in het bovenzinnelijke: omdat hij in den toestand geraakt is, het zinlijke niet genoeg meer lief te hebben, het trekt hem niet meer als vanouds, het "boeit" hem niet meer, figuurlijk en letterlijk. In den wanhopigen strijd, staande vóór wat hem een sprong in den afgrond lijkt: zóó vinden we Johannes in het eerste bedrijf. En in dit gewichtige moment, aan deze gewichtige plaats, bij deze grens, worden voor het eerst alle personen, die volgens hun karma mét Johannes het werk moeten volbrengen, saamgevoerd.

Er waren er onder deze twaalf, die reeds meer of minder in aanraking waren gekomen met dat, wat de geestesvorscher Benedictus in de omgeving van Maria leerde. Er waren er echter ook, die heden voor het eerst gekomen waren naar de plaats, waar de woorden van Benedictus gehoord konden worden. Met een voor den inzichtige doorzichtig voorbeeld van maya der uiterlijke ver-schijningen hebben we hier te doen, inzooverre toeschouwers van buitenaf en de personen zelve van het drama, die gekomen waren, meenen zouden, dat ze uit eigen beweging zich hierheen begeven hadden, om Benedictus wederom te hooren of "nu ook eens te hooren". Wereldkarma moest ze, dit karmisch oogenblik van Johannes' bevrijdingspoging uit laatste aardsche banden, tezamenbrengen. Onder het als een daad verlossend woord van Benedic- tus. De 12 tot het menschheidswerk om Johannes heen geincarneerden waren hem in hun gezamenlijkheid op dit oogenblik van noode voor de overschrijding van de grens. De voorafgegane rede van Benedictus was het harmoniseerend element, dat voor de eerste maal "het milieu" schiep – op den drempel der geestelijke wereld.

Niet alleen de ontwikkeling van Johannes was er eene van voorbereiding voor dit moment. Elk der "makkers" is, in zijn leven en denken, op een punt gekomen, waar een in wisselwerking treden met Johannes voor beide kanten vruchtbaar kan worden. Op welke wijze heeft die wisselwerking plaats? Om Johannes heen leven en strijden de twaalf, die elk drager bij uitstek zijn van één menschheidseigenschap. Dieper ingaande op de figuren Capesius en Strader kunnen we vooral aan deze beiden veel demonstreeren.

Met Capesius hebben we met den hoofd-mens te doen (het Latijnsche caput beteekent hoofd), hij is drager van de krachten van het hoofd, welke krachten zich, de eeuwen der historische ontwikkeling door, steeds meer uitten als denkkrachten. Van de eigenschap van het denken in de eerste plaats is Capesius in onzen tijd de representant. Van het "Denken-an-sich". Het was het Griekendom, dat dit denken, en het verwoorden van de gedachte, als eerste ontwikkelde. Zouden we een richting voor dat denken willen aangeven, we zouden een pijl moeten teekenen, van de aarde afgewend. Het denken abstraheert zich van de dingen, het wordt als denkeigenschap ontwikkeld. De "Gemütsseele", het gemoed, vormt zich, doordat het naar buiten zich verliezend schouwen van het voorafgaand, het Egyptisch, tijdperk zich omzet tot denkconcentratie. Er wordt een innerlijke kern gevormd, — Het praefixe ge- heeft een verzamelende beteekenis. Het ge-moed is de verzamelplaats van den moed, van de krachten van den Leeuw, van de hartskrachten. Rudolf Steiner werd het nooit moede, van de taak van het Griekendom te spreken als van de ontwikkeling der Verstandes- oder Gemütsseele.

In Capesius hebben we te doen met een ziel, die in den Griekschen tijd haar karakteristieke incarnatie moet hebben doorgemaakt. — Van de Eleatische School — die zich dan voortzet, tot een scherpe formuleering komt, bij Plato, en ten slotte ten grondslag ligt aan al wat Westersche philosophie is — zegt Rudolf Steiner, bewust interpreteerend, wat in Goethe meer of minder onbewust als gedachten hieromtrent leefde: "In einem verhängnisvollen Augenblicke bemächtigte sich eines griechischen Denkers ein Misstrauen in die menschlichen Sinnesorgane. Er fing an zu glauben, dass diese Organe dem Menschen nicht die Wahrheit überliefern, sondern dass sie ihn täuschen. Er verlor das Vertrauen zu dem, was die naive, unbefangene Beobachtung darbietet. Er fand, dass das Denken über die wahre Wesenheit der Dinge andere Aussagen mache als die Erfahrung. Es wird schwer sein zu sagen, in welchem Kopfe sich dieses Misstrauen zuerst festsetzte". (Rudolf Steiner: Goethes Weltanschauung).

Dit overwicht van vertrouwen op het denken bracht de ontwikkeling van het denken; en aan de hand hiervan de ontwikkeling van het woord. Gedachten, ideeën, zoeken vorm van uiting, moe- ten verwoord worden. Het intellectueele woord is gave van het Griekendom in den menschheidsontwikkelingsstroom. Wat het Griekendom zoo te brengen had, Capesius heeft het tot het uiterste doorgevoerd. Drager is hij van al, wat uit den Griekschen cultuurstroom te halen was. Met een uiterst vermogen doordenkt hij, is overgeleverd omtrent leven en geschiedenis der menschen op aarde. Hij is geschiedenisprofessor. Verkondiger is de beteekenis van "professor" (van het Latijnsche profiteri, verkondigen). Hij staart op de overleveringen, ontwikkelt gedachte uit gedachte, vormt z'n ideeën tot woorden, is voor z'n studenten verkondiger.

Het woord op aarde werd door het Griekendom ontwikkeld. Het woord van Benedictus is iets anders, een volgende trap. Het woord (Grieksch = ho logos), dat oorspronkelijk bij de goden was, is den mensch overgegeven. Benedictus heeft het woord weer omgezet, verlost, vergoddelijkt. Zijn woord heeft weer scheppende kracht. Zijn geest leeft in de geestelijke wereld, beluistert den geest. Zijn woord stamt uit de wereld van den geest, wordt daar en vandaaruit daad.

Niet alleen meer bene-dicus, wél-sprekend, is de ingewijde leider van den esoterischen kring. Hij is de wel-gesprokene, bene-dictus. Dit de passieve vorm; hij wordt zoo-te-zeggen als object aangegeven. Subject is de geestelijke wereld Het woord uit de geestelijke wereld spreekt op hem in, hij is de in reëelen zin geinspireerde. Drager is hij van het Goddeliik Woord, Christophoor. Den weg van Capesius in het drama zou men kunnen kenschetsen als den weg der metamorphose van zijn woord tot het Benedictus-woord. Capesius is universiteitsprotessor der geschiedenis, die documenten leest, het verledene doordenkt en in ideeën uitspreekt. Be-nedictus is universeel geschiedvorscher; in staat, met versterkt herinneringsvermogen door te stooten naar "wat wás", de Akasha-kroniek te lezen en een "Geheimwissenschaft", indien nodig, alleen de mensen "in grote lijnen" (im Umriss) weer te geven.

We zullen dikwijls gelegenheid hebben aan te toonen, hoe Capesius "Griek" is, drager van den éénen stroom, die uit het voorafqaand tijdperk, het Grieksch-Romeinsche, in het onze stroomt.

We willen hier voor het moment slechts kort er op wijzen, hoe we uit het verband, dat Capesius met de Egyptische mysteriën had, reeds zijn bestemming: te werken aan en vol heen te gaan door de Grieksche Phase, af kunnen lezen. Hij is de "Opferweise" in den Egyptischen tempel (IV, 7e en 8e bedrijf), die daar de taak heeft, bij een inwijdinq het woord te denken, dat magisch inwerken moet op den inwijdeling. We wonen echter bii, hoe Capesius voor het eerst nalaat, dezen ritus te volbrengen. "Der Seelen Erwachen" 8. Bild:

Enthalten hab ich mich, das Wort zu denken,

Das nach der Sitte mir geboten ist,

Und das, von meinem Denken aus, hinüber

Zum Neophyten geistig wirken sollte.

Deze daad, om welke de aanwezige mysten ontzet uitroepen:

"O Frevel — der nach Sühne ruft — nach Strafe —" we herkennen er een daad in, die oude riten ten behoeve van het voorwaarts schrijden der ontwikkeling verbreekt. Binnen den tempel speelt zich af, wat zich in de menschheid uitwerken moet. Aangrijpend, schokkend is de tempeldaad, die binnen het Egyptische een aankondiging van het Griekendom beteekent. In en door Capesius voltrekt zich het afbreken van het magische werken door het gedachte woord, opdat aan de beurt kome het stadium der worsteling om het intellectueel denken en het begripswoord, het persoonlijkheidswoord.

Het ambt zelve reeds van Capesius in den tempel als Opferweise wijst ons naar de rol, die hij in het Griekendom heeft te vervullen. Een tempelwaardigheid hangt met iemands wezen samen. Capesius is een georiënteerde omtrent offerzaken, wordt ons dus gezegd. Verwezen zij hierbij naar wat Rudolf Steiner in den cyclus: "Weltenwunder, Seelenprüfungen und Geistesoffenbarungen" ( le voordracht) met betrekking tot het Iphigenia-offer aanduidt: hoe bij den aanvang, de voorbereiding nog maar, van ,het Grieksche tijdperk, bij de poging tot wegvaren naar den strijd, die om Troja gevoerd moet worden, de eisch staat van Artemis aan Agamemnon (door Rudolf Steiner een der representanten van de verstandsziel-ontwikkeling genoemd) haar zijn dochter Iphigenia te offeren. Als een symbool staat daar die eisch voor het "immerwährende Opfer", dat door de na-Trojaansche intellectueele cultuur de geestelijke wereld gebracht moet worden. Een latere menschheid ervaart het niet meer bewust, hoe — om het met Rudolf Steiner te zeggen — "gewisse Elemente unserer intellektuellen Kultur, geläutert und gereinigt, mit einem priesterlich-religiösen Charakter den höheren Göttern dargebracht werden (müssen), damit unsere äussere intellektuelle Kultur die Menschheit in ihren Herzen, in ihren Seelen nicht verdorre...".

Hij, wiens lezen hem in de, Egyptische mysteriën tot het ambt van "Opferweise" deed geroepen worden, was de bij uitstek ertoe bestemde, de aanbrekende intellectueele cultuur van het Grieksche stadium te aanvaarden en te doorleven in het bewustzijn van haar dieperen zin, n.l., in den vrijheidsstrijd zich Iouterend, vruchten te rijpen, die als offer den goden gebracht kunnen worden.

Reeds in de oudheid echter vinden we beroemde "vriendenparen". Hun zin is het tot sythese brengen van verschillende geestelijke principes. Zoo komt Capesius' vriend "Strader" uit den polairen tegenstroom van het Griekendom in het tijdperk vóór het onze, uit de Romeinsche strooming.

We kennen ze allen in onzen tijd, de menschen, die overwegend Romeinendom, en hen, die overwegend Griekendom meebrengen uit het vorig tijdperk. Het komt er voor een elk op aan, deze beide polen in zichzelven tot evenwicht te brengen. De synthese van het Romeinsche en het Grieksche element is opgaaf van ons tijdperk.

Doorslaande beschouwingen heeft Rudolf Steiner aan Griekendom en Romeinendom gewijd. (Men zie vooral de voordrachten van 16 en 17 September 1916 te Dornach). Hij spreekt erover, hoe de ontwikkeling van het Griekendom één onafgebroken strijd was tegen de belagingen van Lucifer. In de kunst trachtte Lucifer Het Griekendom te grijpen, den menschheidscultuurstroom aan de aarde te ontrukken. Het Griekendom redt zich doordat "in den sich vergöttlichenden Wahnsinn der grossen Dichtung – nach einem Worte von Plato – sich hineinmischte die griechische Philosophie, die griechische Weisheit seiner Philosophen". Heraclitus, Thales, Anaximander, Parmenides, Anaximenes, Plato, Aristoteles zijn de redders, die ten slotte de sterke krachten hebben geleverd tot het behouden van het Grieksche tijdperk binnen de aarde-evolutie.

Daartegenover is het in hetzelfde tijdvak Ahriman, die via het Romeinsche volk zijn doel tracht te bereiken. Naar een verstarring op de aarde door een blinde gehoorzaamheid, een blinde onderwerping onder het Romeinsche volk, streven de Ahrimaansche wezens. Een staatsmachine, die zich van Rome uit uitbreiden zou, een "staatsmechanisme, dat tijdelijk zou hebben opgenomen alle religieuze leven, alle kunst; met het doel, van de zijde der Ahrimaansche machten, alle individualiteit te doen sterven, zoodat elk mensch, elk volk, als het ware slechts een lid in dit groote staatsmechanisme zou zijn geweest".

Zooals echter het Griekendom zich tegen het zich de aarde ontvoogden geweerd heeft door een philosophie, zoo heeft het Romeinsche volk zich tegen het verstarren in een staatsmechanisme te weer gesteld door dat, wat Rudolf Steiner "seine juridische, politische, soldatische Ideale" noemt. Door de negatie van alle omzichtigheid, door een sterk egoisme, door verpolitiseering van de wereld, doorbreekt het de staatsmachine.

En tóch zouden de Romeinen met dit alles niet tegen Ahriman hebben ópgekund, als niet mede van buitenaf een inbreuk in het rijk van Ahrimanis wenschen had plaats gevonden. Wat als grond ligt áchter dat, wat in het uitgebreide Romeinsche Rijk geschiedt door het aanstormen van stammen, de zoogenaamde volksverhuizing, is de poging van geestelijke machten, Ahriman's tendensen ter mechaniseering van een Imperium Romanum te breken.

Een strijd tegen Lucifer is heel de Grieksche geschiedenis, een strijd tegen Ahriman de Romeinsche.

Als een derde deel van het Grieksch-Romeinsch tijdperk verstreken is, heeft het mysterie plaats, dat de mogelijkheid schept, beide machten, Lucifer en Ahriman, te neutraliseeren door ze in evenwicht te brengen; het mysterie van Golgotha.

Hoewel Lucifer zijn macht vooral vóór Christus' aardse leven kon uitoefenen, verwierf Ahriman vanaf dat moment steeds meer macht. Rudolf Steiner beschrijft dit als iets wat scherpzinnige occultisten ten allen tijden al wisten: "das römische Gespenst wird nie sterben." En dan lezen we in de voordracht te Dornach van 16 September 1916: "Ein imaginatives Leben musste hereingebracht werden aus dem Griechentum; denn wir werden noch sehen, was das bedeutet, dass angefacht werden musste dieses imaginative Leben schon, als der 4. nachatlantische Zeitraum in den 5. überging, dass es Pate gestanden hat bei der Geburt des 5. nachatlantischen Zeitraumes. Dieser nachatlantische Zeitraum muss sich entwinden, indem er nicht Gefühle, sondern Erkenntnisse sich erwirbt, dem Romanismus...... Die Grösse des Romanismus wird dadurch nicht verkleinert, aber in dem Gleichklang, in der Waage gehalten. Und im richtigen Abwägen liegt das Heil der Evolution, nicht in dem sich Wenden zu dem einen oder anderen äussersten Extrem".

Bij de geboorte van ons tijdperk, het 5e der na-atlantische perioden, staat het imaginatieve element van het Griekendom als renaissance peet tot tegenwicht tegen het mechanisch-verstarrende uit den Romeinschen stroom. Opgaaf dit tegelijk van den held van het mysteriedrama van onzen tijd. Johannes Thomasius strijdt om het evenwicht, het Christelijk evenwicht tusschen den drager van de Grieksche strooming, Capesius, op wien ook thans nog Lucifer zijn aanvallen blijft voortzetten, en den drager van de Romeinsche strooming, op wien Ahriman ook in onzen tijd als op zijn bolwerk blijft hopen: Strader. Om het gemoedelijk te zeg- gen: Van Ahriman heeft Capesius heel ons drama door geen last, Strader niet van Lucifer. Zooals de richtingspijl bij Capesius wégwijst van de aarde en haar phaenomenen, waarvan het Grieksche denken zich abstraheert, daarom moeten we aan Strader een pijl toevoegen die naar de aarde wijst, de richting waarin de Romeinse cultuur zich ontwikkelde. Een onvergetelijk beeld schenkt voegen, die omlaag naar de aarde wijst: de richting, waarin het in dit opzicht een woord van Rudolf Steiner: "Die Römer sind vom Postament heruntergestiegene griechische Götter." De Romein treedt op de aarde. Rudolf Steiner: "Das römische Volk hatte die Mission, für das gesamte Europa dem Ich als solchem, Geltung zu verschaffem." Ikpersoonlijkheid op de aarde, zóó wenscht de Romein zich te voelen. Hij beleeft zich in zijn lichaam, wenscht aan den lijve te ervaren, zoekt een robuust lichaam, dat een onkreukbare ziel kan dragen (het Grieksche rhômê heeft de beteekenis: lichaamskracht). Het woord "Mens sana in corpore sano" heeft een ingrijpender zin dan dien van een trainingsleus.

Wat Romeinsch is, bracht en brengt het gewicht aan de evolutie op aarde. Romeinendom schonk het fundament. Pas door deze overweging verruimt zich het begrip voor de woorden van Trautmann-Romanus, waar deze in het laatste Bild van den "Hüter der Schwelle" in den tempel zijn ambt aan Strader overdraagt.

Het denken van den Romein richt zich naar de aarde. Hij tast, denkend, de phaenomenen af zijn denken ontwikkelt zich aan de aardsche verschijnselen. Om het nogmaals in gemoede te zeggen: Voor den Romein heeft Lucifer geen interesse, daarvoor is deze te zeer een aardgebondene, hij laat hem Ahriman over.

Geen worsteling in dit drama van onzen tijd der sterkste Ahrimaansche impulsen is dan ook zwaarder dan die van Strader. Van alle personen uit het drama is hij degene, die het moeilijkst en het laatst loskomt van de aarde.

Bij Capesius blijft hij steeds, wat dat loskomen betreft, twee trappen achter. In het tweede drama beleeft Capesius z'n ontbinding uit het zintuigelijk rijk, in het vierde Strader.

Pas als men het wezen van een persoon uit de drama's heeft trachten te doorschouwen, kan ook zijn benaming doorzichtig worden. In Strader's naam is de samenhang te hooren met het Latijn "stratum" vertoont en dat den zin heeft van neerspreiden, platlegsche werkwoord "sternere", dat in zijn hoofdtijden de vormen stravi (heeft), men zou kunnen zeggen: bestraten, plaveien, een fundament leggen (vgl. ook het Italiaansche strada, aangelegde weg, straat).

Merkwaardig is, wat in zijn précieuze boekje "Mit Rudolf Steiner in München" Max Gümbel Seiling – de speler van de Straderrol nog onder Rudolf Steiners leiding der opvoeringen – overlevert als woord van dezen zelven, toen hij, "de Strader" hem vroeg omtrent zijn naam. "Sie können dabei an ein Wort wie Strahl denken". Weliswaar wordt de samenhang gemodificeerd, doordat Dr. Steiner speciaal dan wees op de "Energieentfaltung, welche in der Konsonantenfolge Str liegt", die dan in den naam Strader in den D als het ware weer wordt gestremd. Maar het feit, dat Dr. Steiner de aandacht richtte op, verband legde met "straal", heeft toch een bepaalden zin. Het is n.l. het wezen van "den Romein" Strader, den representant van het vuur-element in den ouden Egyptischen tempel (in "Der Seelen Erwachen"), met zijn sterken, vurigen geest in de aarde in te dringen, de duistere aarde in te stralen, om in haar het licht te ontmoeten, haar het licht te ontworstelen. De D legt zich hem, zijn incarnaties door, altijd weer in den weg: de weerstand uit de aarde vandaan, die tot worstelen en daardoor in-kracht-groeien wekt.

De aarde-doorlichter en -plaveier, de worstelaar met en omzetter van de aarde, doet ons de naam Strader hooren.

Zoo zien we, van de 12 componenten van den kring, die met Johannes zoo-te-zeggen den vollen mensch vormen, die zich in beweging zet tot schrede vooruit in verwerkelijking van het menschheidsbeeld, zooals het den goden heeft voorgezweefd – we zien Capesius en Strader als de uiterste polen van dien mensch- in-het-groot. Als uit de zaal, waar Benedictus zijn rede heeft gehouden —— zijn milieu-scheppende rede —— en waar de 12 onderling hebben nagepraat, als eerste in de ontvangkamer van Maria binnentreedt Philia en spreekt:

Es war, als ob ein ganzer Chor

Aus Meinungen und Gesinnungen

Zusammentönte in dem Kreise

Der eben uns vereinte.

Der Harmonien gab es viele.

Doch auch so manche herbe Dissonanz

wordt tusschen de eerste en tweede versregel tusschen haken aangegeven: "Es treten Professor Capesius und Doktor Strader ein". In het gansche koor uit meeningen en gezindheden der 12 vormen die beiden de uiterste klanken: de voluitgenoemde professor Capesius, de woordhanteerder, de hoofdmensch, de philosoof, en de evenzoo breeduit-gedrukte Doktor Strader, de Romeinsche doctor, de geleerde der aardsche wetenschappen, de zich steeds meer aan de aarde wijdende, naar de aarde gerichte ledematen-wilsmensch, die in onzen tijd natuurwetenschapsmensch, technicus werd. Tusschen het wezen van Capesius en het wezen van Strader ligt de gansche mensch. Ook Maria's antwoord wijst daarheen:

Wenn vieler Menschen Worte

In solcher Art sich vor die Seele stellen.

Dann ist 's als ob

Geheimnisvoll dazwischenstünde

Des Menschen volles Urbild;

Es zeigt in vielen Seelen sich

Gegliedert, wie das Eine Licht

Im Regenbogen sich

In vielen Farbenarten offenbart.

Op welke wijze, vroegen we, heeft nu de wisselwerking plaats tusschen Johannes Thomasius en de 12 dragers van een menschheidseigenschap om hem heen? Wat is het doel van het milieuscheppen, hetwelk door het woord van den ingewijde Benedictus, hetwelk een daad beteekent, was voltrokken op het moment, dat voorafging aan het moment, waarop het drama van den kring begint te loopen?

Het door voorafgaande levens karmisch verbonden-ziin van personen bewerkt een wederzijdschen invloed van woorden en daden, die bii nieuw elkaar ontmoetende personen ontbreekt.

Ettelijke malen kan iets aan Uw oor geklonken hebben – genaamt het voor kennisgeving aan. Eén maal zegt het een bepaald persoon – het slaat in, er is U iets gezégd.

De wisselwerking tusschen Johannes en de twaalf en die tusschen de twaalf onderling is dan ook zóó, dat voor elk woord en elk gebeuren in het drama onze aandacht niet ernstig genoeg kan zijn. Het geringste oefent invloed; wat geschiedt in het milieu, geschiedt als gevolg van een woord, daad, houding binnen het milieu. Om van de wisselwerking bij voorbeeld tusschen Johannes, Capesius, Strader te spreken: de karmische verbinding bewerkt, dat met name aan de worsteling van Capesius om los te breken uit het afwikkelen der gedachten, zooals het Griekendom dat heeft geïnaugureerd en zooals het zich in de menschheid sindsdien verder heeft ontwikkeld, Johannes de moeilijkheden beleeft van het denken in ónzen tijd, dat de Ioutere logica overwinnen moet en wil, de verlokkingen, die loeren bij de pogingen van het den- ken tot doorbraak naar de ware geestelijke wereld. Strader daarentegen is het, aan wiens worsteling Johannes de grenzen ervaart, waar de strijd van, het natuurwetenschappelijk denken gestreden moet worden vóór het dóór kan breken naar het licht. Johannes' eigen denken en willen leeft het denken van Capesius, den wilsstrijd van Strader mee. Waar Capesius momenteel faalt, van den weg afwijkt, daar zien we, hoe ook Johannes op een of andere wijze niet verder kan, prooi wordt van Lucifer, gelijk Capesius. Loopt Strader vast, geeft hij zijn strijd momenteel op, dan zien we ook Johannes belemmerd in zijn gang, kan Johannes minder dan ooit zijn verhouding vinden tot Ahriman. Maar ook onderling houdt Capesius Strader en Strader Capesius niet het evenwicht, als één van beiden zijn lijn verliest.

Van Capesius en Strader, gelijk van de anderen, hangen de mogelijkheden van voorwaartsschrijden van Johannes af. Hij, Johannes, moet alle 12 eigenschappen in zich verbinden, harmoniseeren en verder brengen. Op het laatst van het eerste bedrijf zegt hij tot Maria:

Die vielen Seiten zu- vereinen

In meinem eignen Selbst

Betrat ich kühn den Weg,

Der hier gewiesen ist.

Maar omgekeerd is Johannes tegelijk helpende kracht voor alle 12. De aard van den "held" van het drama van onzen tijd is, dat hij een Erkenntniszoeker is; hij staat als "der Erkennende in der Mitte". De lotgevallen van alle twaalf spiegelen zich in hem, hij beeldt ze, door de karmische verbondenheid met de vroegere levens en met dit leven van hen af in zijn ziel, ervaart ze, en

tracht ze met Erkenntnis te doordringen. Met zijn Erkenntnis – die zich bij hem, als kunstenaar, in de eigen lijn uit; bijvoorbeeld waar hij in het 8e bedrijf van I het wezen van Capesius, van het denken, in een portret aan den dag brengt – draagt hij bij tot de bevrijding der anderen.

De aard van de wisselwerking tusschen Johannes en zijn kring staat o.a. aangegeven in een woord, dat in den tempel klinkt – laatste bedrijf van I – waar Johannes tot de andere Maria spreekt:

Das Opfer, welches du dem Tempel bringst,

In meiner Seele- soll es nachgebildet sein.

***

Pas door begrip van het wezen der personen beginnen uit den dramatekst finesses naar voren te springen. Zoo kan het wel niet anders, of we moeten voorlopig veel praten over de personen. Het is een bouwsteenen-aandragen, opdat de tekst daarna des te meer ons aanspreke en des te vlotter ons doorlate.

Zien we voor heden nog slechts, wat ons reeds de kleingedrukte aanwijzingen boven het eerste bedrijf te zeggen hebben, nadat we getracht hebben, ons een enigszins in het plan en den zin van een mysterie-drama in te leven.

Rechts, wordt ons gezegd, ziet de toeschouwer de deur naar een "Versammlungssaal", de zaal, waar Benedictus zijn rede gehouden heeft. Waar hij zijn, niet alleen verlossend, waar hij zijn verloste woord gesproken heeft, het woord uit den Christus, dat de menschen samenvoert, versammelt. Slechts langzaam maken zij zich los uit de "Versammlung", uit het onder Benedictus' woord geschapen milieu. Als enkelingen komen ze geleidelijk (nach und nach) te voorschijn, dagen op in Maria's ontvangkamer, die daar ligt als de voorhal tot de zaal, waar het woord van Benedictus geklonken heeft, als de voorhal voor een tempel. Maar dat in dien tempel achter de voorhal op andere wijze dan in oude tijden, ja men kan zeggen dan tot heden toe in tempelhallen achter voorhallen, dat op nieuwe wijze een esoterisch werk geschiedt, is aangegeven in het feit, dat "vom Zuschauer aus gemeint" de deur naar den "tempel" rechts ligt. Een deur links zou de toeschouwer beleven als voerende van de aarde wèg, voor een Iouter in het geestelijke spelend gebeuren: links voert naar de geestelijke wereld. Rechts richt zich naar de aarde, voert in het aardsche. De ingewijde in onzen tijd plaatst zich met zijn werk midden op de aarde.

Het ontvangen door Maria in de "voorhal", is een voorbereidend werk voor dat, wat we, in den zoo juist bedoelden zin, het tempelwerk van Benedictus zouden kunnen noemen. Maria als naaste leerling van Benedictus, vormt den schakel tusschen dezen en Johannes. Als Benedictus-interpreet voor Johannes, is zij tegelijk de verbinding met Benedictus, in den daadwerkelijken zin, voor heel den kring.

Zoo komt het dan ook, dat we lezen: "eine jede (Person) verweilt noch einige Zeit in diesem Zimmer". Zij die, door geestelijke hierarchieën gedirigeerd, op dit karmisch moment zich onder Benedictus' gehoor bevonden hebben – een verblijven in gebieden, waar de geest werkt – zijn niet meteen weer in het dagelijksch leven. Het terrein van Maria vormt een overgangsgebied, waar zij, zich losmakend uit het "Versammelt-sein", zichzelf hervinden. Intenser zichzelf vinden dan tevoren, in dieper en uitgebreider bewustzijn. Het elk is geráákt, losgeschokt. Allen zullen ze spreken. Wat een elk dan zegt, is een naar buiten zetten van dat eigen losgeschokte wezen. Al, wat een elk is en wat daarmee zijn aandeel is in den zoo juist karmisch geschapen kring, klinkt daarmee aan ons oor.

Kiem van dit alls: het woord van den ingewijden leider van dezen kring, Benedictus: "Während dieses Verweilens sprechen sich die Personen über mancherlei aus, was in ihnen durch eine Rede angeregt worden ist, die sie in dem Versammlungssaal gehört haben."

En dan: "Maria und Johannes (beide namen cursief gedrukt) kommen zuerst; dann treten Andere hinzu." Aldus maakt zich het milieu los uit den ban van het woord van Benedictus, zet z'n beeld vóór ons. Het eerst winden zich los de centrale figuren, duiken als het ware omhoog: Maria en Johannes. Anderen dagen op, de een na den ander, scharen zich om hen: de "makkers".

"Die gehaltene Rede", heet het, is "seit einiger Zeit zu Ende; und die folgenden Reden sind Fortsetzungen von Gesprächen, welche die Personen schon im Versammlungssaal geführt haben." Mét het verzamelen van deze karmisch verbondenen onder Benedictus' woord ontstond meteen een wisselwerking tusschen de zielen; nog in de Versammlungssaal zelf vangen tusschen bepaalde personen de gesprekken aan. In de voorhal ten slotte worden deze gesprekken voortgezet, door allen voor allen. En in laatste instantie toch bij uitstek voor één: voor de middelpuntsfiguur van den kring, die zwijgend terzijde zit; voor hem, voor wien het woord van Benedictus op dit oogenblik de laatste schrede naar de uiterste grens van het aardsche beteekend had. De openbaring van het wezen dezer hem karmisch verbondenen, door Benedictus' woord geschakeld, aan de grens, werkt zich voor Johannes uit tot Schwellenerlebnis. – Men hoore, als allen zich hebben uitgesproken voor Maria en voor allen, die voor het werk bestemd zijn, en zijn heengegaan, hoe nu Johannes zichzelven uitspreekt voor Maria alleen, op dit moment van zijn leven, aan den drempel:

Johannes:

O bleibe eine Weile noch bei mir.

Es ist mir bange – ach so bange.

Maria:

Was ist dir? Sprich!

Johannes:

Erst unsre Führers Worte,

Dann dieser Menschen bunte Reden!

Erschüttert bis ins Mark erschein ich mir.

Dit is Johannes in waarheid, op het moment, dat we hem leeren kennen, d,w.z. Johannes daar, waar het drama begint. Bang is het hem te moede: aan den afgrond tusschen zintuiglijke en bovenzinlijke wereld. Het woord van den leider, dat omhóóg voert – voor Johannes als laatsten, onherroepelijken roep – en dan de "bonte", d.i. velerlei, wezensuitingen van de hem karmisch verbondenen op de aarde … hij voelt zich, in zijn niet meer aardgebonden, zijn ontvankelijken toestand, erdoor omhoog en omlaag uiteengerukt, versplinterd. Het gaat, voelt hij, om zijn Ik. Zal het bestand zijn tegen dat, wat van weerszijds trekt, doorschokt? Hij heeft het gevoel, tot in zijn merg, tot in zijn innerlijkste Ik, "erschüttert" te zijn. De mensch aan den drempel.

Over Johannes en Maria, de strijdende handhavers tusschen Capesius en Strader, zullen we nog veel moeten spreken.

____________________________





terug naar "Publikaties"