terug naar "Publikaties"
Commentaarbrieven I
COMMENTAARBRIEVEN BIJ DE MYSTERIE-DRAMA'S
VAN
RUDOLF STEINER
BIJ VOORKEUR VOOR HEN, DIE REEDS MET DEZE DRAMA'S GEWORSTELD HEBBEN
DOOR
ADELYDE CONTENT.
"DIE PFORTE DER EINWEIHUNG"
EERSTE BRIEF November 1946
Inleiding
Inwijdingsboeken zou men de mysterie-drama's van Rudolf Steiner kunnen noemen. We leven van de held en zijn makkers den tocht mede, die van de aardsche in het bovenzinlijke voert. Worstelend mèt hen om begrip van hun gang en hun lotgevallen, beleven we zelf mede een inwijding.
In de, 31 October 1910 te Berlijn gehouden, voordracht: "Einiges über das Rosenkreuzermysterium "Die Pforte der Einweihung", spreekt Rudolf Steiner er over, waarom wel "waarschijnlijk dat eerste drama een dubbele inleiding moest hebben".
Hij spreekt daar over de onzichtbare karmische draden, die zich spinnen tusschen denmensch en zijn omgeving. Weliswaar is ook die voordracht over het mysterie-drama weer een mysterie op zichzelf, in zoover als men ook uit deze verhandeling niet zoo maar afleest wat ze alles te zeggen heeft: men moet ook hier langzamerhand van een spellen tot een lezen zien te komen, tot een opdiepen en omvatten van al, wat in die voordracht is neergelegd.
Wat men met betrekking tot de dubbele inleiding, d.w.z. het voorspel en het eerste tafereel, uit genoemde voordracht o.a. lezen kan, is, hoe men als het ware een dubbelen kring zich voor kan stellen: in het midden dier concentrische cirkels dan hèt middenpunt: Johannes Thomasius, de inderdaad centrale figuur van het drama. De binnenste kring om Johannes heen stelt dan de karmisch met hem verbonden, in dit leven tot hem geleide menschen voor, wier wezen en lotgevallen in onderlinge wisselwerking staan met de zijne. En met die van elkander. In den buitensten kring kunnen we de buitenwereld zien, de wijdere menschheid. Achtergrond deze laatste, tegen welken het milieu van Johannes Thomasius staat en leeft.
ln de situatie van Johannes verkeeren wij allen. De engere kring van menschen om on heen, zij met wie we, op welke manier dan ook, te doen hebben, werken — bewust en onbewust, vormend en
metamorphoseerend — op ons in. Gelijk wij op hen werken, door ons ziin en doen. Het ontgaat ons dikwijls, hoezeer we stevigen boden onder de voeten krijgen zelfs door hen, van wie we meenen, steeds slechts het niet-navolgenswaardige voor onze oogen en geest te hebben. Ook het onweerstaanbaar-waarachtig in ons rijzend: de hemel geve, dat ik nooit worde als deze, kan een steeds weer noodige maning voor ons beteekenen. Juist voor óns, die dat bepaalde laakbare voorbeeld voor ons krijgen.
Maar ook de grootere, wijdere kring is om ons heen, de momenteele gedaante van het, steeds wisselend, aarde-tableau. Een invloed, die dus voor den mensch in elk tijdperk steeds een andere is.
In een engere en meer uitgebreide omraming alzoo ook wij.
Een verschil is er echter. We lezen in genoemde voordracht over die in elk tijdvak andere buitenwereld, dat ze "met haar karma samenhangt met dat, wat omgeving wordt voor hem, die zich ontwikkelt". Juist daar, waar de kleine kring omgeving is van een mensch, die de aardsche boeien slaakt en in een geestelijke, een esoterische ontwikkeling omhoog streeft, is het wel en wee van die omgeving van den strever van beteekenis voor de buitenwereld in haar geheel. Wat het milieu van den omhoogstrevende bereikt, bereikt het ten voordeele van het lot van heel de menschheid; maar evenzoo wordt het lot van heel de menschheid beïnvloed, waar dat milieu te kort schiet, blijft staan, faalt.
En zooals de wisselwerking tusschen kleinen en grooten cirkel, tusschen kleine en groote buitenwereld op het physieke plan, een veel intensievere is daar, waar die kleine wereld, op esoterische gronden, door het lot om een occult zich ontwikkelende geschaard is, dan waar het om een willekeurig mensch gaat, evenzoo is de wisselwerking tusschen het milieu en hem, die een geestelijke ontwikkeling zoekt, een uitzonderlijk intensieve. De held van een mysterie-drama, d.i. de met heroskrachten naar het goddelijke strevende, en zijn karmische omgeving, kunnen slechts in samenwerking, als geheel, volbrengen wat te volbrengen is — voor de menschheid.
Zóó het beeld, dat we als geestelijk plan van een mysteriegedicht vóór ons hebben te stellen: de "held-in-het-midden" worstelt om zijn esoterische ontwikkeling, zijn inwijding, zijn bevrijding.
Offerend rond hem karmisch met hem en karmisch onderling verbonden zielen. In het voorgeboortelijke kozen ze hun levensweg heen naar dezen "held". Elk is overwegend drager van één menschheidseigenschap — in dien zin offerbrengend —, die hij door voorafgaande levens steeds meer ontwikkelde. Hij is een bepaald type mensch. De geestelijke geschiedenis van elk dezer zielen is een voorbereiding voor de taak in dit leven: de bevrijding van "den held" uit aardsche gebondenheden. Een voorbereiding dus tevens voor een greep in het lot der menschheid. Dier menschheid, die in elk tijdperk een andere is.
Op brandpunten, op overgangen in de geestelijke menschheidseschiedenis daagt een dergelijke strijder op, zoekt zijn incarnatie. Op keerpunten is het, dat de strijd van een held-met-zijn-milieu wordt gestreden. De draad, die door de, voor elks taak voorbereidende, levens loopt, komen we op 't spoor, doordat we — mèt den blik hen, die in den loop van het drama schouwend worden — den blik mogen slaan op die vroegere brandpunten der beschavingsgeschiedenis, waar dit milieu steeds in zijn hoofdpersonen geïncarneerd was. We krijgen de mogelijkheid, hun in dit leven bereikte "Rückschau" in levens, die voorafgingen, en de poging, het geschouwde met begrijpend bewustzijn te doordringen, mede te leven en mede te doorstrijden.
Voorbestemd is de centrale strijder, met zijn heroskrachten vooruit te grijpen; de phase menschheidsontwikkeling, die verwezenlijkt moet worden, vóór te leven. Opdat één maal in een menschelijk organisme, in een lijfelijken mensch, gelééfd is dat, wat nieuwe menschheidseigenschap heeft te worden. De "held", die in een mysterie-gedicht bezongen wordt, worstelt om een nieuwe phase menschheid, om een volgende phase van het menschenbeeld, welks verwezenlijking de menschheidsgeschiedenis vormt. Het volgend type mensch geldt de strijd van den held. Zijn doel bereikt hij slechts in vereeniging met zijn "makkers".
Zóó zwierf Odysseus, met zijn makkers, den tocht van het neergehaalde Troja naar Ithaka als inwijdingstocht. De phase van den, de goden schouwenden, helzienden mensch was afgeloopen, de "alta urbs", de rijzige Stede Troja, het laatste bolwerk der hemelsche verbondenheid, in vlammen vergaan. Nieuwe phase werd de, in afgeslotenheid van de goden, tot een zich ontwikkelend denken
geimpulseerde mensch. Het Grieksche tijdperk volgde de in Troja ondergaande étappe, waar Egypte met een – reeds tanend – schouwend vermogen representatief was geweest voor de toenmalige cultuur. De ontvouwing van de verstandsziel was het Griekendom opgedragen. De held die, als eerste en bij uitstek, in het groot, in het epos van het Griekendom de worsteling òm – het schouwen vervangende – denken streed, was de "sluwe" Odysseus. In de Odyssea bezat het volk der, na Troja aanbrekende, nieuwe cultuur den zang van de nieuwe phase mensch, den Griek.
Op de schouders zoo-te-zeggen van zijn makkers kwam Odysseus ten slotte van Troja naar zijn gezochte Ithaka, I-thakê, de Ik-stede, de Stede der Ik-ontwikkeling op het fundament der ont- wikkeling van het denken.
Tegen een andere buitenwereld als achtergrond staat aldus het strijdend milieu met Odysseus in zijn midden als dat van Johannes. Voor heel de, den goden ontzinkende, menschheid dier tijden wáágt Odysseus zich aan de aarde. Hij grijpt de materie, strijdt er zijn strijd mede, worstelt met de duisterste aarde-machten, daalt tot in de onderwereld. Hij wijdt zoo-te-zeggen zijn volk in in de aarde, die de menschheid tot dán toe geschuwd had. Maar tegeliik, door deze oerworsteling, strijdt hij zichzelven van de aarde vrij. Zijn tocht in dien zin in waarheid stempelend tot inwijdingstocht.
De tijden van Odysseus zijn vergaan. Tegen wat voor wereld staat Johannes Thomasius met zijn milieu? De menschheid is in de aarde ingevoerd. Het probleem is: hoe wordt hij weer uitgeleid? De strijd van den held van een mysteriegedicht uit ónzen tijd kan slechts zijn de worsteling ten behoeve van heel het menschdom om bevrijding uit aardsche gebondenheid. De nieuwe type mensch, naar wiens verwezenlijking de held van dezen tijd vooruitgrijpt, is de mensch, die het aan de aarde ontwaakt en ontwikkeld denken van het Griekendom naar een nieuwe phase overleidt. Uit de wer- ken van Rudolf Steiner zijn de wegen bekend, langs welke tot dat nieuwe stadium geschreden kan worden. Een intensiveering van het denken, door concentratie en meditatie, die tot een bevrijdings- daad zelve voor het denken wordt en ten slotte leidt tot een op nieuwen voet herwinnen van het schouwen. Hetgeen zeggen wil: tot het her-verwerven van de geestelijke wereld. Zooals het denken
nieuwe menschheidseigenschap worden moest in den Griekschen tijd, zoo het vermogen van imaginatie, inspiratie, intuïtie eigenschap van den mensch uit het thans aangebroken tijdperk. Omdat zónder de herverbinding met de geestelijke wereld de menschheid heden ten dage niet verder kan. Eens stroomde de wijsheid en de wijzing uit het geestelijk land als uit een opengeslagen boek den openstaanden mensch tegemoet. Hij vond zijn leiding. Dan schemerden de goden weg voor de menschen. Als traditie werkte de eens geopenbaarde goddelijke wijsheid lang nog voort. Maar ook de traditie begon te verschemeren. Een nawerking leefde nog slechts voort in de instincten. Zelf kunnen we nog, wanneer we één of twee geslachten terugzien, nagaan, hoe met het verloop der laatste eeuwen de goddelijke wijzing ook steeds meer uit de instincten vluchtte. Alleen gelaten op de aarde, bevindt het menschdom zich in een chaos. Wie zich onbevangen op de geschiedenis van het menschengeslacht bezint, zal moeten erkennen, dat de eenige mogelijkheid om uit den chaos te komen is, dat de mensch zelve de openbarende wereld heropent, die zich tijdelijk voor hem sluiten moest. Sluiten moest, opdat de verlaten mensch, in zijn strijd met de duistere aarde, zich tot een vrij wezen ontwikkelde.
Omdat het hervinden van de geestelijke wereld, de her-inschakeling in den kosmos, de eenige oplossing biedt voor het stuurloos geraakt menschdom, is de strijd van Johannes Thomasius om de nieuwe menschheidseigenschappen imaginatie, inspiratie en intuïtie de strijd van den held van het mysterie-drama van ónzen tijd. Hetwelk inleidt en bestrijkt heel het volgend tijdperk, het Michael- tijdperk.
Rudolf Steiner spreekt ervan, hoe de inwijding van een ziel niet alleen beteekenis heeft voor die ziel, voor die persoonlijkheid. De bevrijding van een ziel uit aardsche gebondenheden beteekent een ingaan in den kosmos. De inwijding van een ziel is een zaak van heel den kosmos. Men kan zeggen: om den strijd van den held om bevrijding uit aardsche banden staat de kosmos in verwachting gebogen. Want niet als beeld, maar in realiteit, is elke bevrijding een werkzame mogelijkheid voor de bevrijding der verdere menschheid. En dit is de kracht van een mysterie-drama: dat elk, die de worsteling van de centrale figuur en de zijnen belevend medeworstelt, den bevrijdingsstrijd van zijn tijd medestrijdt.
Op keerpunten der menschheidsgeschiedenis, zeiden we, verschijnen dergelijke mysterie-milieu's, die een tijdperk vooruit- en vóórleven. Dat in het mysterie-drama van onzen tijd, "Die Pforte der Einweihung", aan de inleiding, die door het lange eerste bedrijf wordt gevormd, waarin alle personen uit "het karmisch milieu" hun wezen uitspreken en ons aldus intens met zich bekend maken, nog een "Vorspiel" als inleiding voorafgaat — de "dubbele inleiding" waar Rudolf Steiner van spreekt — lijkt ons de ontzaglijke tragiek aan te geven, die hangt over het keerpunt, dat ónze tijd beteekent. En de ontzaglijke arbeid, die verricht moet worden — in casu door Johannes Thomasius en de zijnen — om over dit keerpunt de zege weg te dragen. De eerste inleiding, het voorspel, het gesprek tusschen Estella en Sophia, doordringt ons bewustzijn met het, sinds Troja, mateloos den goden ontzonken zijn. Dit de tragiek. Estella — innerlijk ontglipt aan haar "jeugd"vriendin Sophia en in machteloosheid van niet-begrijpen tegen deze botsend — dát is de wereld, tegen welker achtergrond heden ten dage de strijd van den held van zijn tijdperk staat. Een esoterisch milieu worstelt in de omlijsting van een menschdom, dat in één naam zijn uitdrukking vindt: E-stella, hetwelk doet hooren: "van het gesternte afkomstig", maar tegelijk en tevens: "tegenover het gesternte", "buiten het gesternte", d.i.: van den kosmos afgesloten.
Sophia, de pure, maagdelijke wijsheid, waarmee de den kosmos ontzonkene zich confronteert, staat naast haar, in bewogen onbewogenheid, als de mede van het gesternte afkomstige, die zich in den kosmos ingeschakeld bevindt. Het gesprek tusschen Estella en Sophia, als inleidend voorspel, doet ons de machteloosheid gewaarworden van denken, voelen en willen in ónzen tijd, zooals het slaat en spartelt voor de sluizen, die het zelf voor de geestelijke wereld en haar openbaringen wenscht dicht te trekken.
In den volgenden Brief zal aangevangen worden, dit voorspel te behandelen op de wijze, zooals in de bedoeling ligt de mysterie-drama's te bespreken, d.w.z. onder een nauwkeurig beluisteren van elk détail. Mysterie-gedichten stammen regelrecht uit het vaderland van de taal. Dat is het land der geestelijke krachten. Der geestelijke wezens. De dichters van oude mysteriën riepen een Muze, een goddelijk wezen, aan, opdat het dat land der geestelijkheid tot hen mocht dragen en hen doen blikken op de daar gehoede beelden van wat eens op de aarde te aanschouwen was geweest. Men zie daartoe bijvoorbeeld Homerus in den aanhef van zijn Ilias en zijn Odyssea en Vergilius in dien van zijn Aeneïs.
Rudolf Steiner, als de geestesvorscher van den modernen tijd, had niet meer noodig, een Muze aan te roepen ter bemiddeling tusschen hem en de geestelijke wereld. Hij had het bereikt, zelve omhoog te kunnen streven. Zich uit eigen kracht met de geestelijke wereld te verbinden. Het mysterie-drama van Rudolf Steiner ontstond, doordat de dichter doordrong tot het land, waar het gehoord kon worden en opgevangen. De mysterie-drama's zijn direct uit de geestelijke wereld gesproken. Willen we hun zin op het spoor komen, dan zullen we ieder woord ernstig moeten nemen en beluisteren in zijn oorspronkelijken zin. D.w.z. naar de levende kracht, die elk woord eens tot aanzijn heeft gebracht. Met een overslaan van de gangbare beteekenis, waartoe de tijden een woord stem- pelden, moet men terugkeeren naar het frissche leven, waartoe het bij zijn geboorte openbrak. Een herboren, onbevangen oor vraagt het mysterie-drama.
Een ervaring zij hier meteen reeds uitgesproken. Het is niet eenvoudig, het oor van zijn bevangenheid te ontdoen. Men betrapt er zich, al oefenend, telkens weer op, dat men niet "wakker" is geweest. Hoe ontdekt men dit: dat men niet frisch geluisterd heeft? Doordat men even verder vast komt te zitten. Voor een niet-te-begrijpen uitdrukking te staan berust er op, dat men tevoren den zin van een woord "überhört" heeft. Het eischt oefening, den sleetschen zin van een woord te laten vallen. En toch komt men in een mysterie-gedicht steeds verder in den knoop, wanneer men zich daar niet heen-oefent.
In verband met deze noodige houding-van-luisteren tegenover de drama's, zullen we straks nog een passage aanhalen uit een reeks van voordrachten, door Rudolf Steiner gehouden na de op- voering van 1913 van het toen juist ontstane vierde drama. lets wat in deze Commentaarbrieven geen regel zal zijn. De mysterie-drama's dienen voor zichzelf te spreken. Ze hebben hun eigen vorm. D.w.z.: wat Rudolf Steiner te brengen had en wat men samenvat onder den door hem gegeven naam anthroposophie gaf hij in de mysterie-drama's in den vorm van kunst. In zijn boeken, in zijn gesproken en later naar stenogrammen uitgegeven voor drachten ligt de anthroposophie in een anderen vorm vervat. Daar hebben we zoo te zeggen de theorie der anthroposophie. Aan en in de gestalten der drama's is anthroposophie gerealiseerd, leven geworden. Wil men den zin zoeken der drama's, dezer dichtwerken, dan neme men ze als kunst, zoeke de openbaring door den vorm heen, waarin ze hun verschijning zochten. Het trachten te interpreteeren door dat, wat als anthroposophische kennis in anderen vorm aanwezig is (in cycli en andere werken), is een poging tot intellectueel interpreteeren Had Rudolf Steiner het vermeer- deren van kennis op déze wijze bedoeld, dan zou hij nòg een cyclus voordrachten hebben kunnen geven. Hij gaf echter een dichtwerk. Hij gaf de mysterie-drama's.
Zijn bedoeling drukte hij zelfs zoo uit, dat hij, nadat de Pforte der Einweihung, met den ondertitel "Ein Rosenkreuzermysterium", opgevoerd en verschenen was, in de hier in den aanvang genoemde voordracht van den 31en October 1910 te Berlijn, sprak: ..."dass über viele Dinge, die es auf dem Gebiete des Esoterischen, des Okkulten gibt, nicht mehr von mir gesprochen zu werden brauchte, dass von mir keine Vorträge mehr nötig wären, wenn alles das auf die Seelen der lieben Freunde (unserer Bewegung) und mancher anderer Menschen wirken würde unmittelbar aus dem Rosen- kreuzermysterium heraus was in demselben liegt".
Hoe kunnen de mysterie-drama's ánders "werken op de zielen' der menschen dan in den vorm, waarin ze gebracht werden?
En verder heet het in genoemde voordracht: "und zu reden in Worten, wie man sie in den Vorträgen in der Regel gebraucht. hätte ich vieles, vieles, nicht nur in Tagen, Wochen, Monaten, sondern jahrelang, wenn ich das umschreiben und in rednerische Worte kleiden wollte, was durch das Rosenkreuzermysterium gesagt sein sollte und gesagt sein kann".
In het dichtwerk "Die Pforte der Einweihung" en zijn vervolgen zullen we trachten door te dringen door ze als dichtwerk te beluisteren, ons verheffend in het oorsprongsland van de taal, het geestelijk land, vanwaar de oude dichter de Muze omlaag bezwoer. We zullen leeren zien, hoe een mysterie-drama is één geestelijk weefsel, consequent gesponnen, waarbij het er op aankomt, de draden te grijpen en te hóuden. We zullen, wanneer we verder komen in de drama's, gewaarworden hoe we, luisterend en proevend, bij bepaalde strophen als vanzelf beginnen te vragen: waar: hóórden we die intonatie, dat rhythme, dien klank reeds? We zullen dan in onze herinnering een strophe voelen dagen, van welke we, wanneer we, terugbladerend, haar opslaan, ontdekken, dat de overeenkomst niet slechts er een is, die berust op verwantschap van klank, maar dat de onderhavige strophe innerlijk correspondeert met de klankverwante. Een draad, die ondergronds verdween, werd weer opgenomen, de tweede plaats behelst de metamorphose der situatie op de eerste plaats.
Het intellectueel commenteeren door het verwijzen naar verdere anthroposophische literatuur ligt dus niet in de bedoeling. Met een bij voorbaat gerust geweten echter kunnen we voor dezen keer de bovenbedoelde passage uit de eerste voordracht van den cyclus uit 1913, "Die Geheimnisse der Schwelle", aanhalen, die een meer algemeene opmerking vormt, een passage vol zin:
"Ich darf sagen, dass ich auf verschiedene Anfragen hin, jedes Jahr den Ansatz dazu nicht nur mit der Feder gemacht habe, sondern auch bis zu einem gewissen Grad etwas ausgearbeitet hatte, was wie eine Erklärung, wie eine Art Kommentierung unserer Mysteriumdramen sein könnte; dass ich aber jedesmal die Sache wiederum zurückgelegt habe aus dem Grunde, den ich auch ein wenig angedeutet habe in den vorläufigen Bemerkungen von "Der Seelen Erwachen". Es widerstrebt mir, hinterher verstandesmässig dasjenige zu kommentieren, was wahrhaftig nicht einen theoretischen, einen verstandesmässigen Ursprung hat; was in seinen Bildern fertig dasteht wie eine Eingebung aus der geistigen Welt, und über das ich verstandesmässig auch nicht anders sprechen könnte, als eben ein anderer sprechen kann, wenn er in die Sache eingeht. Es besteht eben ein gewisses Bedürfnis, die Dinge, die auf solche Weise gegeben sind, durch sich selbst sprechen zu lassen und sie nicht sozusagen abzuzapfen auf die dünne Vorstellungsart, die doch immer nur Verstandesdenken und Theoretisieren sein kann".
Het "verstandesmässige" spreken over dat, wat "ingeving uit de geestelijke wereld" was, kon Rudolf Steiner niet van zich verkrijgen – dat kón hij ook aan anderen overlaten, wanneer ze dat wenschten. Wat hij aan anderen overlaten móest, was: de sleutels van het drama zoeken uit het drama zelf, het in vollen ernst hoedend als kunstwerk, het nemend als uit de geestelijke wereld gehaald dichtwerk. Het lag vanzelfsprekend niet op zijn weg, het slot te doen springen. Het slot van wat hij als het mysterie van dezen tijd mét en in de wereld van den geest in kunstvorm bond. De zin van het werk zou daarmee zijn vergaan. Mysterie-drama's zijn worstelstof. Dat, waarvoor de held en zijn makkers geplaatst worden, is één reeks van beproevingen, die hun tot probleem gegeven worden. Dat, wat den toeschouwer, den lezer groeien doet, is het medeworstelen met den held en de zijnen aan het oplossen der problemen. Dáár ligt voor den bewusten, naar "Erkenntnis!' strevenden mensch van ónzen tijd de mogelijkheid van katharsis, van het zich Iouteren aan een mysterie-drama.
Waaruit volgt, dat dat, wat hier getracht zal worden onder het beluisteren der drama's, al is het stamelend en gebrekkig, te uiten, voor elk zin zal hebben naar de mate, waarin hij zelf reeds met de problemen der drama-gestalten geworsteld heeft. Wat voor het drama geldt: elk bedrijf, dat een schrede vooruit, een nieuw licht beteekent, kon slechts volgen, omdat in het voorafgaand bedrijf door strijd die schrede verdiend was, geldt voor elken deelnemer aan het mysterie-drama: het ontvangen van een licht over een détail hoort te volgen op de worsteling met dat détail; wordt dán pas vruchtbaar voor den ontvanger.
Voor wie niet wil, dat de drama's voor hem hun zin missen van het schenken der mogelijkheid, deel te hebben aan den strijd van het heden om de toekomst, neme deze opmerking in den meest ernstigen zin.
Samenvattend: de mysterie-drama's Die Pforte der Einweihung, Die Prüfung der Seele, der Hüter der Schwelle, Der Seelen Erwachen, vormen het mysterie-drama van onzen tijd, in zoover ze den strijd inhouden van het aangebroken tijdperk om de verwerkelijking van het menschentype, dat geboren moet worden. Twaalf menschen, door de geestelijke wereldleiding geplaatst om hem, die die volgende phase menschenbeeld verwezenlijken moet, maken mèt hem een werkzame kern der menschheid uit. Dit laatste is het innerlijk geheim van het drama en tevens sleutel.
Uit het drama zelf ontstaat dan de vraag: hoever bréngt het die werkzame kern? Hieraan zal men de mogelijkheden van het thans op aarde levend menschengeslacht kunnen aflezen. Het zich in de geestelijke wereld terugtrekken van Theodora en het sluiten van het Iaatst geschonken drama met het mede van de aarde wijken van de Straderfiguur spreken hier "boekdeelen", die nog zouden hebben kunnen volgen. Maar die in een bepaalden zin overbodig werden.
Daar schrijfster dezer Commentaarbrieven meer dan tien jaren gewoon is geweest, aan de hand van de mysterie-drama's te spreken, is bij haar wel onwillekeurig een toon van persoonlijke uit- wisseling ontstaan, die misschien in deze Brieven nog langeren tijd behouden zal blijven. Mogen zij, die niet tot de mysterie-drama-cursussen behoord hebben, door dit persoonlijke dan niet gestoord worden, maar zich er nader door aangesproken voelen, tot directer begrip.
Voor de, door deze Brieven zich nieuw aan de drama-behandeling aansluitende, deelnemers is de goede zijde van dit gewerkt hebben in cursussen, dat aan schrijfster o.a. de volgorde bekend is geraakt der rijzende vragen. Zoo moge dan deze eerste Brief gesloten worden met de geruststelling van sommige gemoederen reeds thans door de beantwoording van de eerste vraag: Wie zijn, uit de langere lijst der dramatis personae, de 12 "makkers" om Johannes Thomasius heen?
Ons houdend aan de lijst vóór in "Die Pforte der Einweihung" luidt het antwoord: Theodosius, Romanus, German, Philia, Astrid, Luna, Capesius, Strader, Felix, Balde, Frau Balde, die andere Maria, Theodora.
Benedictus staat boven den kring.
Maria staat mèt Johannes in het centrum, als "de vrouw" naast "den man", als de leidster van zijn ziel naar den geest. Een twee-eenheid vormen Johannes en Maria, waar nog veel over te zeggen zal zijn. Als leidster van Johannes en als naaste leerling van Benedictus is Maria tegelijk de bemiddelaarster tusschen den kring en den grooten leeraar van den kring, Benedictus. Zooals Benedictus middelaar is tusschen het esoterisch milieu op aarde en de geestelijke wereld.
Retardus is "nur als Geist wirksam".
"Im Verlaufe" zal zich pas openbaren, dat in Helena Lucifer toegang zocht tot den kring. Lucifer, die echter zoo min tot de karmisch te dier tijde en te dier plaatse geincarneerde "makkers" hooren kan als de even later genoemde Ahriman, die "nur als Seele wirksam gedacht" is.
Wat als laatste genoemd is "ein Kind", strijdt nog niet mede als makker.
En als schrijfster dezer pogingen tot commenteeren, uit de ervaringen der tien jaren spréken over de drama's, nog een opmerking mag maken, die voor heden tracht af te sluiten, wat zij als alge- meene opmerkingen over de drama's in deze Inleiding samenvatte:
We hoorden Rudolf Steiner in zijn voordracht op 31 October 1910 zeggen: "Und zu reden in Worten, wie man sie in den Vorträgen in der Regel gebraucht, hätte ich vieles, vieles, nicht nur in Tagen, Wochen, Monaten, sondern jahrelang, wenn ich das umschreiben und in rednerische Worte kleiden wollte, was durch das Rosenkreuzermysterium gesagt sein sollte und gesagt sein kann".
Ja, ziet U, deze uitspraak betrof nog maar, in 1910, het eerste drama. Schrijfster heeft ondervonden, hoe men inderdaad, wanneer men aanvangt dat, wat door de drama's gezegd wil en kan zijn, omhoog te halen door woord voor woord te beluisteren en dat dan te omschrijven en in "rednerische Worte" te kleeden, men in geen jaren uitgepraat komt. Zelfs als men natuurlijk maar een deel omhooggraaft van wat Rudolf Steiner zelve aan den dag had kunnen brengen.
Hoeveel Commentaarbrieven de toekomst mij vergunnen zal te schrijven, ligt natuurlijk in het duister. Vele, vele, zullen het er móeten zijn. Wánneer ook de Brieven ophouden — ik zal niét uit- gepraat zijn. Zooals ik in de cursussen dikwijls er aan herinnerd heb: "Het laatste woord over de drama's wordt tusschen deze vier wanden niét gesproken".
Maar daar gáát het ook niet om. Doel van dit spreken en schrijven over de drama's is, dat hoorder en lezer een bepaalden weg leeren gaan, langs welken men langzaam maar zeker in de drama's indringt. En dat zij draden leeren grijpen en aftasten, die hen — wie weet — eens dieper binnenleiden dan tot waar deze Commentaren, waar ze staken, getracht zullen hebben hen te voeren.
____________________________
terug naar "Publikaties"