terug naar "Publicaties"

ESSAY OVER RUDOLF STEINER

Uit het tijdschrift "Op de Hoogte" van Mei 1925. Na het overlijden van Rudolf Steiner Maart 1925 schreef Adelyde Content een biografische Schets. 


RUDOLF STEINER

Weet de wereld, welke Groote den jongsten 30en Maart uit haar midden heenging?

Er bestaat een deel van een autobiographie.

Toen de thans overledene, December 1923, aanving, deze te laten verschijnen, deed hij dat zeker niet als een buiten werking gesteld grijsaard, die ten slotte vanuit zijn rustig kamp buiten het leven zich in herinneringen vermeit van hoe het eens was. Bijna 63 jaar oud, ongebroken, eer met een steeds toenemend aantal wortels aan het leven vergroeid, te midden van een niet te overzien arbeidsveld, is hij deze stoer-eenvoudige beschrijving van zijn levensgang begonnen. Op verzoek slechts van vrienden. De beweging, die van hem was uitgegaan, de anthroposophie, nam nl. voortdurend in omvang en invloed toe. In dezelfde mate groeide de aandacht voor den stichter. En deze stichter was een persoonlijkheid, die in haar alzijdigheid zeer moeilijk te begrijpen was. Het gevolg was een herhaaldelijke onjuiste typeering. En deze wierp dan weer een verkeerd licht op de beweging, die hem, den stichter, boven alles ter harte ging. Zoodat ten slotte de bede zijner vrienden een plicht voor hem beteekende, zelf objectief en naar waarheid den gang van zijn leven en de wording zijner aanschouwingswijze mede te deelen.

Al was hij dan niet een afgeleefd grijsaard — het heeft niet mogen zijn, dat hij ons den ganschen inhoud van zijn merkwaardig leven gaf. Zeventig weken lang bracht trouw het weekblad "Das Goetheanum" een hoofdstuk van "Mein Lebensgang", het zeventigst kapittel werd slechts enkele dagen voor zijn dood geschreven. Een kleine twintig jaar van den levensgang ontbreken. Dit is jammer voor het geschrift als kunstwerk: wel nooit misschien werd een autobiographie geleverd, die op zoo'n klare zelfkennis en menschenkennis berust. Jammer is het ook voor het nu ontbrekend brok tijdsbeeld: Steiner's zelfbiographie immers werd voortdurend een biographie van de cultuur van zijn tijd.

In Kraljevic, een grensdorpje tusschen Oostenrijk en Hongarije, is Rudolf Steiner den 27en Februari 1861 in een eenvoudige familie geboren. Zijn vader had er de leiding van het station, werd echter naar Neudörfl verplaatst, toen zijn zoon acht jaren telde. Toen hij er elf telde, werd hij tot de hoogere burgerschool in Wiener-Neustadt toegelaten. Voor wat kennis toegerust, verlevendigt hij zelf zich het schoolonderwijs, dat hem maar niet boeien kon. Nog iets anders hielp hiertoe mede. Van zijn 5dejaar af gaf hij, om den last zijner studie voor zijn ouders eenigszins te verlichten, aan scholieren uit zijn eigen klasse of uit lagere, bijwerklessen. Zoo werd hij gedwongen, de stof, die hij slechts onwezenlijk, als in een droom, had opgenomen, inderdaad te verwerken, opdat hij ze verder kon geven. Vroeg maakt hij, de latere fijnzinnige paedagoog, zoo reeds aan zijn leerlingen met vele moeilijkheden der ziele-ontwikkeling kennis. En hij, over wien wij ons later verwonderden, op zoo vele manieren als hij ons in den loop der tijden het geestesgoed, dat hij te geven had, nader bracht, van zoovele kanten als hij licht schijnen liet op een zaak, die hij eenmaal had aangewezen, hij wijst ons als het ware op de eerste ontwikkeling van dit zijn vermogen, als hij vertelt, hoe hij, wanneer de klasse een onderwerp hem daar de eerste jaren verteld wordt, heeft hij niet veel interesse; als hij echter te weten is gekomen, dat er van den directeur een boek bestaat, getiteld: De algemeene beweging der materie als grondoorzaak van alle natuurverschijnselen, spaart hij zoolang, tot hij het boek koopen kan. En als het dan slecht verstaanbaar voor hem blijkt, wordt het zijn ideaal, zoo snel mogelijk alles te leeren, wat hem tot begrip van het boek brengen kan. Dan ziet hij op een dag voor een winkelraam Kant's Kritik der reinen Vernunft, hij spaart weer zoo snel mogelijk bij elkaar, om dit Reclam-uitgaafje te kunnen bemachtigen. Van Kant weet hij niets, niet wat zijn waarde in de geestelijke historie der menschheid geweest is, niet wat men voor en tegen hem beweerd heeft. Zijn interesse ontstond slechts door zijn eigen drang, te leeren verstaan in hoeverre het loutere menschelijk verstand een werkelijken blik in het wezen der dingen vermag te verschaffen. Meer dan twintig maal achter elkander worden sommige bladzijden gelezen, de jonge scholier wil verstaan. Dan ontdekt bij in een antiquariaat de wereldgeschiedenis van Rotteck. Hoe eenzijdig Rotteck is, de warmte, waarmee hij de gebeurtenissen schildert, maakt dat "geschiedenis", wat tot nu toe iets uiterlijks voor den knaap gebleven was, tot iets innerlijks wordt, hij er toe komt, twee andere groote geschiedschrijvers, Jobannes von Muller en Tacitus, in studie te nemen. En, met dergelijke kennis toegerust, verlevendigt hij zelf zich het schoolonderwijs, dat hem maar niet boeien kon.

Nog iets anders hielp hiertoe mede. Van zijn 15dejaar af gaf hij, om den last zijner studie voor zijn ouders eenigszins te verlichten, aan scholieren uit zijn eigen klasse of uit lagere, bijwerklessen. Zoo werd hij gedwongen, de stof, die hij slechts onwezenlijk, als in een droom, had opgenomen,inderdaad te verwerken, opdat hij ze verder kon geven. Vroeg maakt hij, de latere fijnzinnige paedagoog, zoo reeds aan zijn leerlingen met vele moeilijkheden der ziele-ontwikkeling kennis. En hij, over wien wij ons later verwonderden, op zoo vele manieren als hij ons in den loop der tijden het geestesgoed, dat hij te geven had, nader bracht, van zoovele kanten als hij licht schijnen liet op een zaak, die hij eenmaal had aangewezen, hij wijst ons als het ware op de eerste ontwikkeling van dit zijn vermogen, als hij vertelt, hoe hij, wanneer de klasse een onderwerp voor een opstel heeft opgekregen, gedwongen is, dat eerst verscheidene malen voor zijn leerlingen uit te werken, om dan tenslotte, wanneer hij de beste gedachten heeft weggegeven, nog te trachten voor zich zelf iets van het thema te maken.

Vele en velerlei zijn de fijne trekjes, waarmee Dr. Steiner ons een beeld van zijn H.B.S. tijd geeft. Hoe gaarne we er vele van nog even zouden memoreeren, gedachtig, hoe veel nog uit dit rijke leven verteld moet worden, vermelden we nu slechts, dat zijn eindexamen studie aan de Technische Hoogeschool te Weenen beteekende, waarvan we dus althans kunnen constateeren, dat Rudolf Steiner die op een heel wat breeder laag ontwikkeling aanving, dan dat met menig aankomend studentje het geval is. Voor wis-, natuur- en scheikunde laat hij zich in schrijven, October 1879. Maar hij heeft zich in zijn H.B.S. tijd zelf reeds zoo zeer met differentiaal- en integraalrekening, alsook met analytische meetkunde, beziggehouden, dat hij, hoewel hij steeds door gedwongen is, voor anderen repetitor te zijn, den tijd vindt, alle mogelijke colleges buiten zijn eigen terrein om te volgen. Niet alleen aan zijn eigen Technicum, maar ook aan de Weensche Universiteit. Tot medische colleges toe. Twee groote philosophen behandelden daar juist hetzelfde onderwerp : de Herbartianer Robert Zimmermann en Franz Brentano. Met Herbart heeft hij zich in zijn H.B.S. tijd reeds druk beziggehou- den, nadat hij zeker had meenen op te merken, dat zijn literatuur-leeraar van uit een bepaald standpunt sprak en hij ontdekt had, dat dat het Herbartsche zijn moest. Den eenen dag zit hij onder het gehoor van Zimmermann, den anderen dag onder dat van Brentano. Maar geweldigen indruk ook maken op hem de colleges over Duitsche literatuur van een professor aan zijn eigen Technische Hoogeschool, den heel niet systematischen, meer intuïtieven Karl Julius Schröer, bekend door zijn Faust-commentaren en de herontdekking en tekst uitgave der oude schoone Kerstspelen, die boeren in de omgeving van Pressburg, kolonisten oorspronkelijk van den Rijn vandaan, jaarlijks omtrent Kersttijd bleken uit te voeren1).

Er ontstaat een groote band tusschen den jongen student en zijn professor. Dikwijls zit Steiner bij Schröer in zijn kleine bibliotheek, breidt de geleerde vol vuur het op zijn college behandelde voor zijn gretigen leerling verder uit. Het samenzijn met Schröer doet den jongen Steiner, die overal steeds het menschelijke zocht, goed, Schröer's enthousiasme verwarmt hem. Maar met wat hem diep in bezighoudt — hij voelt het — kan hij ook hier niet terecht. Wanneer Schröer praat van "ideëen", zijn dat voor hem de drijvende krachten in de schepping der natuur en der menschen; Steiner echter — het was van zijn jeugd af het kenmerkende van zijn persoonlijkheid, — zag achter die scheppingen, achter alle objecten, een levende geestelijke wereld : voor hem kon de idee slechts de afschaduwing zijn van het reëel geestelijke, dat hij achter het object schouwde. Schröer is meer literair, is de fijne vurige literator-bij-uitnemendheid; Steiner is de alzoeker, kan zich niet louter bedwelmen aan aesthetica, hij zoekt waarheid, wil alles doorvorschen, wil al wat buiten en wat binnen den mensch is, tot den bodem doorgronden om het ten slotte in eenheid te kunnen verbinden. Hij ziet achter de stoffelijke wereld het geestesland, van kind af heeft hij echter ervaren, dat de menschen van zijn tijd dat niet gewaarworden. Hij zwijgt alzoo over wat hij ziet, neemt echter scherp alom de stoffelijke wereld waar en dringt door in al wat zijn tijdgenooten met het verstand, waarin ze alleen gelooven, bemachtigd hebben.

Hij is overtuigd, dat het mogelijk moet zijn, een brug te slaan van de openbaringen der natuurwetenschappen naar de openbaringen des geestes, hij weet, dat hij het punt vinden zal, waar de oevers te verbinden zijn; tot hij het punt gevonden heeft, spreekt hij niet over wat hij geestelijk waarneemt, zooals hij heel zijn leven van den overvloeienden schat aan weten, dien hij bezat, nooit iets heeft uitgegeven, wanneer hij niet wist, dat de ooren waar het heenging, verstaan konden.

Schröer, de fijne begrijper van Goethe's literair werk, hield er geen bepaalde meening op na ten opzichte van diens natuurwetenschappelijke denkwijze. Wat met name Goethe's kleurenleer betreft, ver genoegde Schroer er zich mede te con stateeren, dat de natuurkundigen van zijn tijd die van zich wezen. Steiner, daarentegen, kwam van de bezwaren, die hij tegen de tegenwoordige optiek moet voelen, vanzelf tot de optische ideeën van Goethe. En hiervandaan drong hij in heel Goethe's natuurwetenschappelijk arbeidsveld verder. Hij leett op in de vondsten, die hij op deze wijze bij Goethe doet en die, heel anders dan de gangbare theorieën, zoo prachtig aansluiten bij wat hij uit eigen experimenteeren en concludeeren, vindt. Schröer beleeft vreugde er aan, wanneer hij zijn sympathieken jongen vriend ook op bedoeld gebied Goethe hoort bewonderen, maar zijn vreugde geldt slechts den buitenkant der zaak. Typeerend is b.v., hoe Schröer aan Steiner vertelt, dat een natuurkundig collega hem gezegd heeft, dat Goethe zich tegen Newton gekant heeft, terwijl Newton toch "zoo'n genie" was; en dat hij, Schröer, hem toen geantwoord heeft, dat Goethe toch "ook een genie" geweest is. We kunnen ons denken, hoe de jonge zoeker-met-heel z'n-ziel. . . gewacht heeft op wat er nog verder zou komen, en hoe hij, toen er verder niets meer kwam, zich met z'n ziel-vol-raadsels alleen moet hebben gevoeld.

Hoe weinig Schroer ook zelf met Steiner op dien belangrijken kant van Goethe ingaat, niemand zal zich verwonderen, dat hij Joseph Kürschner, den uitgever van de "Duitsche National Literatur", aanraadt, Steiner uit te noodigen, in die serie Goethe's natuurwetenschappelijke geschriften uit te geven, voorzien van inleidingen en aanteekeningen. De student was toen 22 jaren.

Breed vat hij zijn taak op. Voor hem staat vast dat, wat Galilei geweest is voor de wetenschap van het anorganische, Goethe geweest is voor het organische in de natuur. Het komt hem er niet zoo zeer op aan, wat Goethe over dit of dat in het bijzonder gedacht heeft, voor hem is het kardinale punt de wijze, waarop Goethe verkondigt, dat de organische natuur beschouwd dient te worden.

Maar als hij het eerste deel van Goethe's natuurwetenschappelijke geschriften heeft uitgegeven, voelt hij hoe, terwijl er in Goethe's eigen tijd nog eenige mogelijkheid bestaan had, dat men hem, Goethe, had begrepen, het denken in de tachtiger jaren reeds zoo zeer in starre begrippen was vastgeloopen, dat de mogelijkheid niet meer voor handen was, dat het aan deze denkwijze van Goethe zou kunnen aanknoopen. Daardoor wordt hij weer gedreven tot nieuwe studie der Erkenntnistheorieën van zijn tijd. En het gevolg is dat hij, voor hij tot uitgave der verdere Goethe deelen overgaat, in '86 een "Erkenntnistheorie der Goethe'schen Weltanschauung" in het licht geeft.

Het lot van een persoonlijkheid als Steiner was het nu eenmaal, met alle grooten van zijn tijd in aanraking te komen. En met grooten van alle denkwijzen verkeerde hij gaarne, als hun overtuiging maar uit het bloed huns harten kwam. En dit was het geval met de dichteres Eugenie delle Grazie, wier diep pessimisme Steiner niet verhinderde, zich gelukkig te achten dat hij tot den vasten kring van kunstenaars en geleerden hoorde, die zij elken Zaterdagavond in haar huis vereenigde. Haar overtuiging, dat het ideale slechts bestaat om een tijd lang den mensch te begoochelen, opdat het weldra, door de macht in laatste instantie, de natuur, in het niet wordt teruggeworpen, was wel lijnrecht in strijd met de overtuiging van den levenswarmen jongen man, dat "het innerlijke vrije wezen van den mensch uit zich zelve te voorschijn brengt wat het leven zin en inhoud geeft." Maar, terwijl Schröer weldra het huis van delle Grazie mijdt als zijnde een woning, waar tegen de harmonie in de kunst, dus tegen de schoonheid, gezondigd wordt, voelt Steiner zich in een atmosfeer, die hem goeddoet: "daarvoor had ik niet overeenstemming van ideeën noodig, daartoe was noodig strevende, voor geestelijks ontvankelijke menschelijkheid."

In een anderen kring verkeert hij ter zelfder tijd; het is de kring van jonge Oostenrijksche dichters, waarvan Fritz Lemmermayer het middelpunt is. Daar leert hij o. a. den fijnen, wijzen Fercher von Steinwand kennen. In dit verband memoreert Steiner voor het eerst, hoe hij sedert lang met een raadsel gevochten heeft: dat der "Wiederholte Erdenleben". Veel was hem in dit opzicht opgegaan, wanneer hij met menschen in aanraking was gekomen, die in hun wezen en doen allerlei verrieden van wat onmogelijk een verworven goed kon zijn van dit leven, van na deze geboorte. In von Steinwand wordt hij heel zeker een persoonlijkheid, een bepaalde zielegesteldheid, gewaar, die slechts gevormd kon zijn in de eerste eeuwen der christelijke ontwikkeling, in den tijd toen het Griekendom hierin nog doorwerkte.

Pas als zijn ideëen over de herhaling der aarde-levens een vrij concreten vorm hebben aangenomen, komt hem een boek uit de theosophische beweging, Sinnett's Esoterisch Boeddhisme, in handen. Het boek stootte hem af, hij was blij het niet gelezen te hebben voor hij uit zichzelf een aanschouwing der hergeboorte gewonnen had.

Wanneer men tot hiertoe dit volle leven gevolgd heeft—terwijl wij verre van volledig konden zijn, zijn belangrijken arbeid als opvoeder van een achterlijken knaap bijv. zelfs geheel achterwege moesten laten — kan men eenigszins begrijpen, hoe 'n breede ontwikkelings gang er nog ligt tusschen het tijdstip, waarop hij aan den merkwaardigen von Steinwand zijn reïncarnatie-denkbeelden toetst, en den tijd, waarop hij als anthroposoof de verkondiging van reïncarnatie en karma, en wat annexe hieraan zich hem openbaarde, aanving. Voor een vol ledige opsomming ontbreekt nu echter eenmaal de ruimte.

Memoreeren we hier nog slechts hoe hij, door zijn Goethe-studiën bekend geworden, in '88 aan het Goethe-archief te Weimar beroepen wordt om er mede te werken aan de, in opdracht van de groothertogin Sophie van Saksen, te bezorgen Goethe-uitgave. Hoe hij daar zes jaren werkt, en in 1897 ten slotte, met zijn "Goethe's Weltanschauung", zijn Goethe-arbeid voorloopig beëindigt. Aan de Universiteit te Rostock was hij in tusschen gepromoveerd op het onderwerp: "Die Auseinandersetsung des philosophischen Bewusstseins mit sich selbst". In 1892 verscheen deze dissertatie onder den titel "Wahrheit und Wissenschaft". En in '94 verschijnt dan dat merkwaardige bekende werk, dat bestemd was, het verstandelijk denken in zijn zuiversten vorm, de zuivere rede, waartoe de zelfstandige, consequent denkende mensch het gebracht heeft, over te leiden over het dan schijnbaar bereikte eindpunt langs een gelijken weg van zuivere rede naar een nieuw land van licht: de Phi losophie der Freiheit.

Zooals we zeiden: met alle grooten der cultuur komt Steiner in aanraking, Nietzsche en Haeckel hooren tot hen. Hij erkent, hoe geniaal Haeckel zich stelt tegenover de vormen der natuur, maar dan ook alleen tegenover deze. Steiner, die nu eenmaal heel zijn leven de geestelijke wereld achter dergelijke vormen zag staan, wilde die geestelijke zijde der verschijningen even concreet behandeld weten als de natuurlijke. Tegenover Haeckel's monisme stelt hij reeds in '93 zijn "geistgemässer Monismus", in een voordracht "Einheitliche Naturanschauung und Erkenntnisgrenzen". In zijn werken "Haeckel und seine Gegner" en "Welt- und Lebensanschauungen im neunzehnten Jahrhundert" behandelt hij Haeckel en zijn plaats in het moderne geestesleven uitvoerig.

Het gevolg van Steiner's diep ingaan op elke verschijning in de geestescultuur van Europa is wel aanleiding geweest, dat men heeft meenen te mogen zeggen, dat hij velen achtereenvolgens heeft "aangehangen". Zoo'n opvatting nu is lijnrecht in strijd met Steiner's gansche krachtige, zelfstandige persoonlijkheid. Tot zijn laatsten levensdag toe heeft hij al wat opdook op het geestelijk arbeidsveld waargenomen en bestudeerd, geheel onafhankelijk van wat anderer meening over dat nieuw verschijnsel was, en elk, ook de zwakste onder de verschijningen, heeft hij de eigen ware plaats op dat cultuurveld aangewezen. Van 1897 tot 1900 b.v. redigeert hij het tijdschrift "Magazin für Literatur" en bewijst dan, met hoe fijne oordeelkundigheid hij elke literaire verschijning op haar waarde weet te schatten, hoe hij elke persoonlijkheid er uit weet te pikken, in wie hij een streven naar geestelijke vrijheid waardeeren kan. Zoo heeft hij dan b.v. ook Haeckel en Nietzsche met dieper bewondering dan misschien menig aanhanger van hen erkend als grooten van hun tijd en met verwonderlijke genialiteit aangetoond, tot welk punt zij de geestelijke evolutie van de menschheid gebracht hebben. En aan dat uiterste punt van hen heeft hij dan trachten aan te knoopen. Een aanknoopingspunt aan de heerschende cultuur moest er nu een maal gevonden worden. Maar in den zelfden tijd b.v., als hij voor zichzelven een uiteenzetting zoekt met Haeckel, rijpt in hem reeds de denkbeeldenwereld, die hij daarna, in 1902, neer zal leggen in zijn boek "Das Christentum als mystische Tatsache". Dit boek is de grondslag, waarop hij dan later voet voor voet, naarmate de talrijke schare, die zijn onderwijs zoekt, kan bevatten, het machtig gebouw optrekt van zijn Christusleer. Geweldig worden in den loop der tijden de openbaringen, die hij geeft: ademloos verstomd hoort elken keer, als bekend geworden is "de Dokter spreekt", een dichte menschenmassa toe, vele theologen erkennen: hier wordt opnieuw, hier wordt de levende Christus verkondigd. Velen echter ook, die hier en daar slechts een overgebracht woord opvangen, kunnen de zekerheid, waarmee hij zulke nooit gehoorde dingen durft te brengen, den eerbied ook, waarmee velen deze op blijken te nemen, niet verdragen; ze vallen hem aan, belasteren hem als hij ongestoord verder verkondigt, zonder tegenaanval: voor negativiteit ontbreekt hem aanleiding en tijd, zijn roeping is slechts, positiefs te brengen.

Niet om zichzelf — om der wille der waarheid, die hij zag en dier verkondiging, heeft Steiner om miskenning geleden. Maar ook, hoe heeft hij zich verheugd, als hij menschen vond, die zijn openbarende woorden erkennen konden! Een zoeken was het oorspronkelijk naar menschenooren, die zouden kunnen verstaan, een zoekend tasten . . . Toen een groep Berlijnsche theosophen hem voordrachten verzocht, stemde hij toe: daar althans zou hij ooren vinden, die anders toehoorden dan die der eenzijdige natuurphilosophen. In de theosophische vereeniging waren over 't algemeen toch menschen ingestroomd, die, niet bevredigd door de natuurwetenschappelijke aanschouwingswijze, iets zochten, iets anders zochten.

Daar was dus inderdaad een aanvattingspunt. Hij hield er van 1900 op 1901 de voordrachten, die weldra beknopt verschenen als "Die Mystik im Aufgange der neuzeitlichen Geisteslebens und deren Zusammenhang mit der naturwissenschaftlichen Weltanschauung".

Als bewijs, hoe zelfstandig hij ook voor deze theosophen zijn eigengeweten denkbeelden verkondigde, gelde, dat hij, toen hij deze voordrachten hield, noch van Blavatsky, noch van Annie Besant ooit een boek gelezen had. Het straks genoemde werk: "Das Christentum als mystische Tatsache", hetwelk het resultaat is van een tweede serie voordrachten, die hij weldra voor de dan reeds sterk toegenomen groep Berlijnsche theosophen hield, is wel het sterkst bewijs, hoe hij van het begin af geheel los van de Oostersche neigingen der theosofen zijn eigen overtuiging gehad en verkondigd heeft. Reeds de titel van den voordrachtenreeks, dien hij in een anderen Berlijnschen kring ("die Kommenden") terzelfder tijd gaf: "von Buddha bis Christus" is typeerend in dit opzicht.

Dan verschijnen vrijwel jaarlijks werken van zijn hand, we noemen slechts: Theosophie (zijn poging tot het geven van een ware Theosophia) in 1914, "Wie erlangt man Erkenntnis der höheren Weiten" in 1905 "Die Geheimwissen schaft im Umriss" in 1909. Wat hij jaren lang voor zich geweten heeft, spreekt hij hieruit: het bestaan van een geestelijke wereld, de mogelijkheid om, met gebruikmaking van dezelfde vermogens, waarmede men de stoffelijke wereld verkent, alleen zeer verinnerlijkt en verintensd, die geestelijke wereld te verkennen.

Systematisch als de wegen der exacte wetenschappen zijn de wegen die Steiner aangeeft om hem op zijn vorschingstochten in de geestelijke wereld te volgen. Deze Geistesforscher behoudt zijn gaven niet voor zich alleen, hij heeft geworsteld om te ontdekken aan welke wetten de blik in de geestelijke wereld, die hem van den aanvang af gegeven is, zijn ontstaan dankt, en hij wenscht den oogst van zijn zwoegenden arbeid alom rond te deelen, hij weet dat het de tijd is, dat de menschheid van haar eenzijdigen, stoffelijken blik verlost wordt. In geweldige lijnen ziet hij de geschiedenis van het menschengeslacht en zijn ontwikkelingsgang. Hij weet hoe men in oer-oude tijden den blik in de geestelijke wereld bezeten heeft, hoe de mensch dien echter bezat ten koste van zijn onafhankelijkheid. Slechts doordat de geestelijke wezens, de Goden, den mensch nog vasthielden, hield hij zijn verband met hun wereld, had hij er den, onbewusten, blik. Toen allengskens de goden hem loslieten, werd hij tot vrij wezen, begaafd met een eigen vernuft — ten koste nu echter van zijn blik in de geestelijke wereld, in den oergrond der dingen. Ook dat was goed voor een wijle, alles in de lange menschheidshistorie geschiedt op den rechten tijd. Maar Steiner wist: thans is het genoeg, de mensch zinkt te ver uit z'n oorspronkelijk geestesland, de band raakt verbroken, hij zal niet meer terug kunnen stijgen, en dit lag toch in het plan der ontwikkeling. De mensch was voorbestemd, wanneer hij eenmaal vol en vrij wezen zou zijn, los van zijn oorsprong het stoffelijk gebied had verkend, zijn geestelijk vaderland weder te vinden, er dan bewust den blik in te slaan. Dat was het wat Steiner voelde als zijn roeping: den mensch te behoeden, dat hem het geestelijk land, waarin zijn kern ligt, niet voorgoed verloren zou gaan en daarmede het bewust zijn van zichzelven als geestelijk wezen.

Het onwrikbaar bolwerk tegen het al meer verdervend agnosticisme in de menschheid — als zoodanig zal men Steiner op den duur leeren zien.

In 1902 wordt Dr. Steiner door de Theosophische Vereeniging aangezocht, haar generaal-secretaris voor de Duitsche afdeeling te worden. Steeds overwegend, dat in dién kring althans zoekers zitten, die hem kunnen verstaan, aanvaardt hij. In den zin zijner voordrachten brengt dit geen enkele verandering, hij gaat voort te spreken en te schrijven, zooals hij dat gewend is. Men steekt in de Theosophische Vereeniging de hoofden bij elkaar: dat is geen "theosophie", dat strookt niet nauwkeurig met wat men wil in de Theosophische Vereeniging. Steiner nu weet precies, wat hij zegt en doet, hij geeft nauwkeurig wat hij weet, dat door een aantal menschen kan en moet worden opgenomen. Aan banden leggen laat hij zich nooit, hij weet zelf te oordeelen, wat noodig is. On gestoord gaat hij zijn weg verder. Maar als in 1911 de theosophen de "Orde van de Ster van het Oosten" oprichten, heeft Steiner iets te verklaren: hij wenscht niet te spreken voor een gehoor, waaronder zich leden van die orde bevinden. Wie zijn "Christentum als mystische Tatsache" gelezen heeft, begrijpt, dat hij zich met het dogma, dat de Christus nogmaals in een physiek lichaam op de aarde zou verschijnen, niet vereenigen kon. Wie hem tot nog toe gevold had, kon weten dat voor hem het heilig Christusgebeuren een "einmaliges Ereignis" was, wie deze verkondiging van het "Mysterium van Golgatha" niet verstond, zou hem ook verder niet verstaan. Groot en forsch wei- gerde hij dien alzoo den toegang tot zijn voordrachten.

Het gevolg was, dat Dr. Steiner buiten de Theos. Vereeniging gesloten werd. Vrijwel heel de Duitsche afdeeling ging met hem mee. En ook uit andere landen volgden hem velen, die dit nieuw en krachtig geluid in de theosophische vereeniging hadden leeren erkennen. En dan, bij dezelfde gelegenheid, dat hij in Keulen dien aangrijpenden reeks voordrachten over de Bhagavad Gita houdt, Kerstmis 1912, richt hij de Anthroposofische Vereeniging op. En van toen af begon een ongekende, wellicht nooit van een sterveling aanschouwde werkzaamheid. Als alzijdig kunstenaar, als alzijdig wetenschapsman, als paedagoog, als socioloog, als regisseur van de fijnzinnigste kunstopenbaringen doet hij zich kennen. Er is geen gebied, waarop vakmenschen, bekende professoren zelfs, hem niet als hun meerdere erkennen. In München worden jaar voor jaar in den zomer mysterie-drama's van zijn hand opgevoerd, de menschen trotseeren de hitte der overvolle zalen, zitten er genietend van den morgen tot den avond. Marie von Sivers, zij, die later Frau Dr. Steiner werd, is hier zijn grootste steun, met fijn begrip staat zij hem in alles terzijde. Later werkt zij ook op zijn aanwijzingen de eurhythmie uit, die gewijde bewegingskunst die nog dag bij dag grooter mogelijkheden vindt. De behoefte ontstaat dan, al die kunstuitingen in een eigen omgeving aan den dag te brengen: het machtig Goetheanum ontstaat, dat bouwwerk in Dornach, waaraan 17 nationaliteiten samenwerken, kunstenaars van den meest verschillenden aanleg, geheel den tijd door, dat de wereld door één algemeenen oorlog uit elkaar wordt gerukt, en nog tijden daarna. Dr. Steiner geeft alles aan, werkt zelf mee uit zoo veel zijn tijd toelaat. In 1920 stroomen van alle kanten de menschen samen: het Goetheanum wordt in gebruik genomen. Zij, die het voor het eerst zien, zijn geslagen van bewondering en dankbaarheid om zòò'n ongekende schoonheid. Oudejaarsnacht 1922, als een kleine duizend menschen juist het gebouw verlaten hebben, waar ze een voordracht "van den Dokter" hebben aangehoord, gaat het gebouw in vlammen op: wat groot is heeft met zijn tegenpool, het lage, te kampen.²)

In het Goetheanum, later in de oude "Schreinerei", zijn in eindelooze afwisseling cursussen gehouden voor medici, theologen, natuurkundigen en ingenieurs, paedagogen, sociologen en too- neelspelers. Ook elders hadden voortdurend voordrachtenreeksen plaats, zooals b. v. een voor landhuishoudkunde. Er was geen gebied, waarop Steiner het niet vermocht, nadat hij eenmaal den brug had geslagen van de resultaten der natuurwetenschappen naar de geesteswetenschap, licht te verbreiden. Vooral in die bekende school in Stuttgart, aan welks hoofd hij stond, de Waldorfschool, waar zijn aanwijzingen, gegrond op de diepe kennis van den mensch, zooals hij dien kende en alom verkondigde, werden toegepast en waar weldra een aandrang van leerlingen heen ontstond in een mate als waarin niet bijgebouwd kon worden in het door hem opgeleid, 50-ledig docentencorps, en hun duizend zonnige leerlingen heeft hij een monument achtergelaten, dat in zijn kracht openbaart, uit welk een wonderbaarlijke krachtbron het stamtᶟ)

De wereld dankt veel aan dezen Groote. Langzaam pas zal zij het ervaren. De 12000 leden der Anthroposophische Vereeniging en zij, die zijn werken lazen zonder zich bij die vereeniging aan te sluiten, weten het wèl. Dit mocht men althans opmaken uit de ontroerde ernstige gezichten der duizenden, die op het bericht van zijn dood naar Dornach samenstroomden. Uren zaten ze voor het atelier, waar hun Vriend en Leeraar eens rusteloos geschapen had, waar hij nu neerlag in één tuin van bloemen te wachten, tot ook hun de beurt ten deel viel, een laatste oogenblik te mogen wijlen bij den Doode, van wien elk voor zich wist, hoe veel hij hem te danken had.

ADELYDE CONTENT.

') Deze tekst van Schroer ligt ook ten grondslag aan de opvoeringen van het Kerstgebeuren, die jaren lang reeds te Dornach onder leiding van Dr. Steiner plaats vonden en die een diepen indruk op mij hebben gemaakt. Sinds eenige jaren trachten een aantal leden van de Anthroposophische Vereeniging in Holland ze ook hier in den ouden, primitieven vorm weer te laten opleven.

²) Wij hadden het genoegen in dit tijdschrift van Oct. 1922 tot Febr. 1923 maandelijks over het Goetheanum en wat er van uitging, te schrijven. Ook over de eurhythmie. Zij, die be lang stellen, treffen daar grooter uitvoerigheid.

ᶟ) Ook in andere landen ontstonden reeds scholen op grondslag van Steiner's leer over den mensch. In ons land in Den Haag.